De heffing wordt geheven naar het aantal kubieke meters water
dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.
Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal
kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het
belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is
toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet
gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de
hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij
die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een
volle maand gerekend.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
pompinstallatie zijn voorzien van een:
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan
worden afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is
geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien
vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water wordt
verminderd met de hoeveelheid water die niet is
afgevoerd.
Indien de gegevens als bedoeld in het tweede lid van dit artikel
niet bekend zijn, wordt het watergebruik van gemeentewege
bepaald aan de hand van de afgevoerde hoeveelheid afvalwater van
vergelijkbare percelen. Als minimum waterafname wordt
aangehouden een hoeveelheid van 201 m3.
De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid
toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de
hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd.
Artikel 5
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van Rioolheffing 2010