**1.** Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerkenmoeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.
**2.** De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moetzodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk ofde buitenriolering.
**3.** In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar riool, mogengeen beerputten of rottingputten voorkomen.
**4.** Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichtingbevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid eneen voldoende binnenwerkse middellijn.Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde inNEN 3215, uitgave 2007.
**5.** Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliënen hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben vanten minste 125 mm.
**6.** Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de buitenriolering operven en terreinen moeten doeltreffend zijn.Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normendie zijn opgenomen in bijlage 7.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 7
Artikel 2.7.6
Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Onderdeel van Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Waalre houdende regels betreffende bouwen Bouwverordening