Deze verordening is van toepassing op alle subsidies op het beleidsterrein van:
het peuterspeelzaalwerk;
de kinderopvang (voor zover niet geprivatiseerd);
het jeugd- en jongerenwerk;
sociaal cultureel werk (waaronder het het club- en buurthuiswerk);
de professionele en amateuristische kunst en cultuur;
het mediawerk;
de sport;
de maatschappelijke dienstverlening;
de gezondheidszorg;
de belangenbehartiging van algemeen sociaal-maatschappelijke aard;
het emancipatiewerk;
het ouderenwerk;
de educatie (niet zijnde het reguliere onderwijs);
het opbouwwerk.