Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2011

1.. De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 2.. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsge­lang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. Het aantal kubieke meters water dat bij een lozing van bronneringswater wordt geloosd op de gemeentelijke riolering, wordt gesteld op het aantal kubieke meters waarvoor de aanvrager schriftelijk toestemming van het college van Burgemeester en Wethouders heeft gekregen. 3.. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstalla­tie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren, dat een pompinstallatie met vaste capaci­teit in bedrijf is geweest, kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoe­veelheid opge­pompt water geschiedt op andere wijze. 4.. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opge­pompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

Rechtspraak bij dit artikel