Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel
mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten
waterdicht zijn aangewerkt.
De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde
leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet
zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of
de buitenriolering.
In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en
de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen
beerputten of rottingputten voorkomen.
Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en
moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende
lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse
middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht
te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
in NEN 3215, uitgave 2007.
Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en
hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg
kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten
minste 125 mm.
Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op
erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze
eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan
aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in
bijlage 7.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 7
Artikel 2.7.6
Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Onderdeel van Bouwverordening gemeente Eersel 2010