Naar hoofdinhoud
1.. De bij de ruiming van een graf aanwezige overblijfselen van lijken, worden begraven op een door het bestuursorgaan aangewezen gedeelte van de begraafplaats. 2.. Het bestuursorgaan kan de rechthebbende op een eigen graf toestemming verlenen om de overblijfselen van de overledenen die zich bevinden in het graf waarop het uitsluitend recht betrekking heeft, opnieuw te doen begraven in een ander graf. Dit artikel is niet van toepassing op Islamitische graven, zie artikel 19 lid 5. 3.. Nabestaanden van een overledene die begraven is in een algemeen graf kunnen gedurende een periode van één jaar voor beëindiging van de grafrusttermijn de beheerder schriftelijk verzoeken bij de ruiming de overblijfselen indien mogelijk bijeen te doen brengen voor herbegraving in een eigen graf elders volgens de richtlijnen van deze verordening. 4.. De rechthebbende van een eigen (urnen)graf of urnennis kan gedurende een periode van één jaar voor beëindiging van het grafrecht de beheerder schriftelijk verzoeken om bij de ruiming de overblijfselen- indien mogelijk- bijeen te doen brengen of de asbus ter beschikking te houden voor herbegraving of bijzetting elders dan wel om de as te doen verstrooien. 5.. De kosten welke gemoeid zijn met de werkzaamheden vallende onder de leden 2, 3 en 4 van dit artikel, komen voor rekening van de rechthebbende of gebruiker van het betreffende graf.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel