De termijn waarbinnen de belastingplichtige aanspraak kan maken op het ambtshalve verlenen van vermindering afgestemd op de termijn waarbinnen, op de voet van artikel 11, 3e lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de bevoegdheid van de heffingsambtenaar tot het vaststellen van een belastingaanslag ligt.
De termijn waarbinnen ambtshalve vermindering of teruggaaf wordt verleend wordt voor gevallen, waarin er sprake is van een redelijkerwijs kenbare vergissing, verlengd met drie jaren.