**1..** Burgemeester en Wethouders kunnen een parkeervergunning intrekken of
wijzigen:
op verzoek van de vergunninghouder;
wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is
verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of
bedrijf beëindigt;
wanneer er zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden
die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;
wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt
te vervallen;
wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
vergunning verbonden voorschriften;
wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste
gegevens zijn verstrekt;
om redenen van openbaar belang.
**2..** Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een vergunning is met
redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of wijzigen van de
vergunning schriftelijk in kennis gesteld.
**3..** Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een vergunning wordt eerst
genomen nadat de houder van de vergunning in de gelegenheid is gesteld
binnen een door het bevoegde orgaan te stellen termijn zijn oordeel kenbaar
te maken omtrent het voornemen tot het nemen van dit besluit. Deze bepaling
blijft buiten toepassing in spoedeisende gevallen en geldt voorts niet
wanneer de wijziging of intrekking een groot aantal vergunningen betreft.
**4..** Indien de parkeervergunning is ingetrokken op grond van lid 1 sub e. of f.
wordt een aanvraag voor een parkeervergunning door dezelfde vergunninghouder
binnen 6 maanden na intrekking geweigerd.