Naar hoofdinhoud

Afdeling II

Artikel 8

Intrekken of wijzigen vergunning

Onderdeel van Parkeerverordening 2005

1.. Burgemeester en Wethouders kunnen een parkeervergunning intrekken of wijzigen: op verzoek van de vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt; wanneer er zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; om redenen van openbaar belang. 2.. Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een vergunning is met redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of wijzigen van de vergunning schriftelijk in kennis gesteld. 3.. Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een vergunning wordt eerst genomen nadat de houder van de vergunning in de gelegenheid is gesteld binnen een door het bevoegde orgaan te stellen termijn zijn oordeel kenbaar te maken omtrent het voornemen tot het nemen van dit besluit. Deze bepaling blijft buiten toepassing in spoedeisende gevallen en geldt voorts niet wanneer de wijziging of intrekking een groot aantal vergunningen betreft. 4.. Indien de parkeervergunning is ingetrokken op grond van lid 1 sub e. of f. wordt een aanvraag voor een parkeervergunning door dezelfde vergunninghouder binnen 6 maanden na intrekking geweigerd.

Rechtspraak bij dit artikel