Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Berekening van het havengeld

Onderdeel van Verordening haven- en kadegeld 2009

1.. Grondslag voor de berekening van het havengeld is het aantal tonnen laadvermogen van het vrachtschip, het aantal bruto register tonnen van het zeevaartuig, of het aantal vierkante meters oppervlakte van alle overige vaartuigen en drijvende werktuigen, drijvende lichamen of drijvende voorwerpen, waarmede het gebruik of genot van de haven plaatsvindt. 2.. Voor de berekening van het havengeld geldt als het aantal tonnen laadvermogen van een vrachtschip het aantal, zoals dat blijkt uit de bij het vaartuig behorende in Nederland geldige, meetbrief. 3.. Voor de berekening van het havengeld geldt als het aantal bruto register tonnen van een zeevaartuig het aantal, zoals dat blijkt uit de bij het vaartuig behorende in Nederland geldige meetbrief. 4.. Voor de oppervlakte van alle overige vaartuigen en drijvende werktuigen, drijvende lichamen of drijvende voorwerpen wordt gehouden het product van de grootste lengte en breedte, zoals deze blijken uit de daarbij behorende in Nederland geldige meetbrief. 5.. Bij gebreke van een geldige meetbrief of daarmede gelijk te stellen document, bij weigering om zulk een stuk te tonen of in geval in dit stuk de in het 2e, 3e en 4e lid bedoelde gegevens ontbreken, wordt het laadvermogen, de bruto-inhoud, of de oppervlakte door de havenmeester bepaald. 6.. Voor het hebben van een vaste ligplaats geldt als grondslag voor de berekening van het havengeld het aantal vierkante meters wateroppervlakte waarvoor vergunning is verleend.

Rechtspraak bij dit artikel