De beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1 van de WMO ondervindt m.b.t. het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd via woonvoorzieningen. De manier waarop de woonvoorzieningen in de verordening zijn gegroepeerd geeft een rangorde aan. Primair zal gekeken worden of verhuizing mogelijk en zinvol is. Dat wil zeggen dat een geschikte woning beschikbaar is of op korte termijn beschikbaar komt. Onder geschikte woning dient hier begrepen te worden een woning die met betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan worden. Is geen geschikte woning beschikbaar dan kan het college besluiten één van de andere voorzieningen te verstrekken. Overigens kunnen hierbij ook andere omstandigheden een rol spelen, zoals de bereidheid van de aanvrager te verhuizen, opgebouwde mantelzorg etc. Indien de aanvrager – in tegenstelling tot het advies – niet wil verhuizen, maar besluit om in de eigen woning te blijven wonen, dan kan de aanvrager in aanmerking komen voor een vergoeding die gelijk is aan de verhuiskostenvergoeding. De aanvrager ziet daarmee wel voor een bepaalde redelijke periode – bij gelijk blijvende omstandigheden – af van verdere woningaanpassingen en/of het op een later tijdstip nogmaals in aanmerking willen komen voor een verhuiskostenvergoeding.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.3.
Primaat van verhuizing
Onderdeel van Verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Ridderkerk 2006