Deze verordening wordt aangehaald als: Wmo-verordening gemeente Ridderkerk.
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Ridderkerk, 5 oktober 2006
De raad voornoemd,
de griffier, de voorzitter,
as/790/
Algemene toelichting WMO-verordening, gemeente Ridderkerk
1.Inleiding
Dit is de eerste WMO-verordening van de gemeente Ridderkerk.
In deze verordening geeft de gemeente aan hoe zij door middel van het verstrekken van voorzieningen een alternatief biedt, voor de beperkingen die iemand heeft, om te kunnen participeren in de maatschappij. Dit alternatief dient zodanig te zijn, dat de ontstane problemen zoveel mogelijk opgelost worden, daarbij uitgaande van de zelfredzaamheid van de burger. Met dit ‘alternatief’ wordt door de gemeente invulling gegeven aan het ‘compensatiebeginsel’ zoals dat in artikel 4 van de Wmo is opgenomen. Het is nodig om dit begrip als gemeente zelf in te vullen omdat de wetgever dit niet gedaan heeft. De reden hiervan is dat dit begrip pas in de laatste fase van het wetgevingsproces bij behandeling in de Tweede Kamer bij amendement in de wet is opgenomen. Daarmee is de gemeente gedwongen om met een eigen interpretatie te komen. Hoewel dit naar beste vermogen gebeurd is, bestaat de mogelijkheid dat op termijn zich jurisprudentie vormt die het nodig maakt om de invulling te wijzigen en de verordening dus aan te passen. Maar niet alleen hierom heeft deze verordening een voorlopig karakter. In deze verordening is ook een, voor de gemeente als uitvoerder, nieuwe voorziening opgenomen; de hulp bij het huishouden. In de komende jaren zal de gemeente ervaring opdoen met deze voorziening en meer zicht krijgen op de (on)mogelijkheden om deze voorziening optimaal in te zetten voor burgers die daarop aangewezen zijn. Ook daarom zal het in de toekomst nodig zijn om de verordening op onderdelen aan te passen.
De verstrekking van voorzieningen is een complex proces. De verordening vormt hier de basis van; rechten en plichten zijn hierin opgenomen. Elementen die meer aan verandering onderhevig zijn, zoals financiële normen zijn opgenomen in een afzonderlijk besluit; het Besluit maatschappelijke ondersteuning (verder te noemen: Besluit). Ook de uitwerking van enkele centrale begrippen zoals het begrip "gebruikelijke zorg" is in dit besluit opgenomen. Hierdoor wordt het mogelijk om via een eenvoudige procedure de regels aan te passen als dit op grond van de uitvoeringspraktijk of nieuwe inzichten nodig blijkt. De verordening wordt door de gemeenteraad vastgesteld, het besluit door het college.
2. Financiën
De uitvoering van de nieuwe wet brengt grote financiële risico's voor de gemeente met zich mee. Door het haastige tempo waarmee de rijksoverheid de regeling wil invoeren zijn deze risico's op dit moment niet eens in beeld te brengen; er zijn slechts grove ramingen van te maken. Met de nieuwe taken die de gemeente vanaf 2007 uit te voeren krijgt zal de komende jaren ervaring mee opgedaan moeten worden en zullen sturingsmogelijkheden ontwikkeld moeten worden. Pas dan zal gerichte beheersing van kosten mogelijk zijn, althans voor zover geen externe factoren een rol spelen waar de gemeente geen of nauwelijks invloed op heeft.
De WMO-verordening is gebaseerd op de WVG-verordening gemeente Ridderkerk 2004 en aangevuld met elementen uit de modelverordening van de VNG.
3.Compensatiebeginsel
Bij de uitvoering van de WMO-verordening is het compensatiebeginsel een belangrijke leidraad bij het handelen van de consulenten uitgangspunt van het handelen. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen. Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet aan, voor de onderdelen:
een huishouden te voeren,
zich te verplaatsen in en om de woning,
zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en
medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.
Bij de compensatie gaat het om beperkingen in de zelfredzaamheid. Onder zelfredzaamheid wordt verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Met andere woorden, de meerkosten worden gecompenseerd voor zover iemand die kosten, of een deel daarvan, niet zelf kan dragen.
Het staat de gemeente vrij om zelf te bepalen met welke voorzieningen zij de beperkingen compenseert. De gemeente kiest ervoor om aan de compensatieverplichting te voldoen door concrete voorzieningen te benoemen, te weten hulp bij het huishouden, woon-, rolstoel- en vervoersvoorzieningen. Hulp bij het huishouden geeft ondersteuning aan mensen die niet in staat zijn zelfstandig een huishouden te voeren. Met woonvoorzieningen wil de gemeente een normaal gebruik van de woning en het in en om de woning verplaatsen mogelijk maken. Rolstoelvoorzieningen en vervoersvoorzieningen maken het mogelijk zich te verplaatsen in en om de woning en lokaal per vervoermiddel. Rolstoel- en vervoersvoorzieningen kunnen bovendien bijdragen aan het ontmoeten van medemensen en het leggen van sociale contacten. Dit betekent dat de gemeente de woningaanpassing ziet als een voorwaarde voor het zelfstandig verplaatsen in en om de woning en het voeren van een huishouden.
4. De goedkoopst adequate voorziening
Bovenstaande begrippen komen in de Wmo niet meer voor. Vanuit de jurisprudentie die ontstaan is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) kiest de gemeente ervoor om beide begrippen ook binnen de Wmo te blijven gebruiken. Met goedkoopst adequaat wordt bedoeld dat een voorziening 'verantwoord' moet zijn, wat zo veel betekent als doeltreffend, doelmatig en aanvragervriendelijk. Er is dus sprake van maatwerk binnen bepaalde grenzen. Een voorziening kan slechts dan als adequaat worden aangemerkt, als die voorziening, dan wel de combinatie van voorzieningen, de beperkingen die de aanvrager op een bepaald gebied ondervindt wegneemt, dan wel vermindert. Aldus gedefinieerd zal zich in de praktijk een breed scala van mogelijkheden voordoen die ieder voor zich of in combinatie met elkaar objectief beschouwd als 'adequaat' kunnen worden aangemerkt.
De ondergrens voor het verstrekken van een voorziening wordt bepaald door de meest adequaat goedkoopste voorziening. Voor alle duidelijkheid zij hier gesteld dat de begrippen 'goedkoopst' en 'adequaat' in samenhang met elkaar moeten worden beschouwd. Een voorziening moet altijd adequaat zijn. Pas als er meerdere voorzieningen zijn, dan wel andere combinaties van voorzieningen zijn, die de toets van het adequaat zijn kunnen doorstaan, kan de meest goedkoopste oplossing worden gekozen.
5. Keuze voor een naturavoorziening of een persoonsgebonden budget
Keuzevrijheid is een belangrijk principe binnen de Wmo. Daarom is geregeld dat personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening bij een groot aantal voorzieningen de keuze hebben tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget.
Met inachtneming van de keuzevrijheid voor een pgb wil de gemeente stimuleren dat aanvragers de voor hen meest optimale voorziening kiezen. Met het oog op hergebruik van (voor kortere tijd te verstrekken) voorzieningen streeft de gemeente overigens naar terughoudendheid bij het verstrekken van pgb's (voorkomen kapitaalvernietiging). De gemeente denkt concreet aan de volgende situaties:
- Kwaliteitsafspraken die de gemeente heeft gemaakt met leveranciers
Bij het leveren van de voorzieningen die de gemeente in natura verstrekt, heeft de gemeente afspraken gemaakt met verschillende leveranciers die de voorzieningen in opdracht van de gemeente leveren. Hiermee is de aanvrager gegarandeerd van een goede kwaliteit van de voorziening. Bij een persoonsgebonden budget is er vaak geen zicht op het kwaliteitsniveau van de leverancier die de aanvrager kiest.
- Serviceafspraken die de gemeente heeft gemaakt met leveranciers
Als de voorziening verstrekt wordt door een leverancier waarmee de gemeente afspraken heeft gemaakt, is er sprake van een gegarandeerd hoog serviceniveau. Bij een persoonsgebonden budget is het nog maar de vraag, of de leverancier die de aanvrager heeft uitgezocht voldoende service verleent. Zo kan een aanvrager die met pech komt te staan met een scootmobiel, als dat met de leverancier is afgesproken, na een telefoontje van de aanvrager, onmiddellijk geholpen worden.
Bovendien kan de gemeente makkelijker de leverancier aanspreken waarmee afspraken zijn gemaakt als er problemen zijn met de voorziening. Bij een persoonsgebonden budget is dit niet mogelijk.
-Prijs-/ Kortingsafspraken die de gemeente heeft gemaakt met leveranciers.
Doordat er garantie is dat er meerdere voorzieningen gedurende het hele jaar afgenomen worden bij de leverancier, kan de gemeente prijs-/ kortingsafspraken maken. Hierdoor zijn er door de jaren heen scherpe kortingsafspraken gemaakt.
-Hergebruik van een voorziening.
De belangrijkste reden om terughoudend te zijn met persoonsgebonden budgetten is dat bij voorzieningen in natura gestuurd kan worden op hergebruik van voorzieningen waardoor kapitaalvernietiging voorkomen kan worden.
Als de gemeente kan motiveren waarom het verstrekken van een persoonsgebonden budget op grond van individuele redenen voor de aanvrager bezwaarlijk is, kan van de uitzonderingsmogelijkheid in de wet, om geen persoonsgebonden budget te verstrekken, gebruik gemaakt worden. Zo wordt er geen persoonsgebonden budget verstrekt als duidelijk is dat de aanvrager het persoonsgebonden budget niet verantwoord zal besteden. De aanvrager is er in die situaties meer mee gebaat de voorziening in natura te krijgen.
Hulp bij het huishouden: keuze voor een persoonsgebonden budget of een
voorziening in natura. Hulp bij het huishouden kan in natura worden verstrekt, maar er is ook een keuzemogelijkheid voor een persoonsgebonden budget. De omvang en hoogte van het persoonsgebonden budget wordt geregeld in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.
Woonvoorzieningen: keuze voor een persoonsgebonden budget of een voorziening in Natura
Onroerende woonvoorzieningen: Voor het aanbrengen van onroerende woonvoorzieningen heeft de gemeente afspraken gemaakt met aannemers voor de levering daarvan. Ook bij deze voorzieningen kan voor een pgb gekozen worden.
Onroerende woonvoorziening eigen woning: de gemeente verstrekt de voorziening in natura, doordat zij contracten heeft met leveranciers. Ook bij deze voorzieningen kan gekozen worden voor een pgb.
Onroerende woonvoorziening in een huurwoning: ook als het om een huurwoning gaat wordt een persoonsgebonden budget verstrekt, omdat in de wet is opgenomen dat dit persoonsgebonden budget aan de eigenaar van de woning betaald moet worden, is dit voor de aanvrager te vergelijken met een naturavoorziening
Roerende woonvoorzieningen: over het algemeen verstrekt de gemeente een dergelijke voorziening in natura (in eigendom al dan niet in bruikleen).
Verhuis- en inrichtingskosten: de gemeente verstrekt een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten als het gaat om verhuizing naar een geschikte woning.
Rolstoelen: keuze voor een persoonsgebonden budget of een voorziening in natura.
Handbewogen/elektrische rolstoel
Over het algemeen verstrekt de gemeente handbewogen en elektrische rolstoelen in bruikleen. Er is echter ook een keuzemogelijkheid voor een persoonsgebonden budget voor deze rolstoelen. De rolstoel blijft echter ook bij het pgb eigendom van de gemeente. Uitzondering op het pgb voor een rolstoel, zijn rolstoelen die slechts een korte periode gebruikt gaan worden, waardoor het verstrekken van een persoonsgebonden budget niet verantwoord is, omdat hergebruik daarmee niet mogelijk is. Dit kan zich voordoen bij personen op een hoge leeftijd of bij mensen met een progressief ziektebeeld, maar ook bij jonge kinderen die in de groei zijn en al snel aangewezen zijn op een andere voorziening.
Sportrolstoel: de verstrekking van een sportrolstoel is afwijkend van een verstrekking van een handbewogen- of elektrische rolstoel. Een sportrolstoel wordt niet als naturavoorziening verstrekt. In de praktijk blijken aanvragers via sponsoring of anderszins rolstoelen van geheel eigen keuze aan te schaffen. Het is niet mogelijk daarvoor een naturapakket aan te bieden. Tevens is hierbij in overweging genomen dat sportrolstoelen voorzieningen zijn die snel kapot gaan als er niet goed mee omgegaan wordt. Door een financiële tegemoetkoming te verstrekken wordt de aanvrager gestimuleerd niet te ruw met de voorziening om te gaan.
Vervoersvoorzieningen: keuze voor een persoonsgebonden budget of een
voorziening in natura.
Scootmobiel en rijwielen bijzondere uitvoering
Over het algemeen verstrekt de gemeente dergelijke vervoersvoorzieningen in bruikleen.
Daarnaast is de mogelijkheid voor het verstrekken van een persoonsgebonden budget aanwezig. Uitzondering hierop is het verstrekken van een persoonsgebonden budget voor scootmobielen die slechts een kortere periode gebruikt gaan worden, waardoor het verstrekken van een persoonsgebonden budget niet verantwoord is. Dit kan zich voordoen bij personen op een hoge leeftijd of bij mensen met een progressief ziektebeeld. Hetzelfde geldt voor een persoonsgebonden budget voor een rijwiel bijzondere uitvoering. Ook daar moet het verstrekken van een persoonsgebonden budget afgewogen worden ten opzichte van de te verwachte gebruiksduur.
Deeltaxivervoer: het collectief vervoer in de gemeente is van hoog niveau en strekt zich uit over een groot reisgebied. Als veel mensen van het persoonsgebonden budget gebruik gaan maken tast dit de financierbaarheid van het deeltaxisysteem aan. Via deze verordening is dan ook bepaald dat geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt voor vervoer dat met de deeltaxi wordt gedaan.
Overige vervoersvoorzieningen: de gemeente noemt in de gemeentelijke verordening ook de mogelijkheid voor het verstrekken van een persoonsgebonden budget voor vervoer met de eigen auto of taxi en een persoonsgebonden budget voor het aanpassen van de eigen auto. Het gebruik van de (reguliere) taxi via een persoonsgebonden budget komt op hetzelfde neer als het gebruik van de deeltaxi.
De enige mogelijkheid voor het verstrekken van een voorziening om het vervoer met de eigen auto mogelijk te maken is een persoonsgebonden budget voor de reiskosten of het aanpassen van de auto.
Voor het aanpassen van de eigen auto wordt een persoonsgebonden budget verstrekt. Het aanpassen van de auto kan echter ook onder begeleiding van een leverancier waarmee de gemeente afspraken heeft gemaakt. Hiermee wordt zoveel mogelijk tegemoetgekomen aan het verstrekken van een naturavoorziening voor autoaanpassingen. Het persoonsgebonden budget is gelijk aan de kosten voor de adequaat goedkoopste voorziening.
Hulp bij het huishouden
In de Wmo hebben gemeenten de verantwoordelijkheid gekregen voor lichtere vormen van hulp en ondersteuning. Een van de belangrijkste in het oog springende nieuwe verantwoordelijkheden van de gemeenten is de verantwoordelijkheid van de hulp bij het huishouden. Bij de invoering van de Wmo heeft de gemeente ervoor gekozen om de richtlijnen voor hulp bij het huishouden vanuit de AWBZ (inclusief protocol gebruikelijke zorg) in eerste instantie te handhaven. Naarmate er meer ervaring is opgedaan met deze voorziening zal de gemeente meer eigen beleidsinvulling eraan geven. Met de overheveling van de hulp bij het huishouden naar de Wmo krijgt de gemeente te maken met een aantal wetten die gericht zijn op de kwaliteit van de verzorging en de rechten van aanvragers. Voor de hulp bij het huishouden zijn de kwaliteitswet zorginstellingen,
de Wet Medezeggenschap aanvrager Zorginstellingen (WMCZ) en de Wet Klachtrecht aanvrager Zorgsector (WKCZ) van toepassing.
Hulp bij het huishouden kan ook aan mantelzorgers geboden worden die tijdelijk van hun last ontheven moeten worden. Men kent dit onder het begrip "respijtzorg".
6. Overgangsrechten Overgangsrecht hulp bij het huishouden
De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wmo met betrekking tot hulp bij het huishouden waarvoor op grond van de AWBZ een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van de Wmo, blijven gelden gedurende de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van de wet. Dit overgangsrecht is opgenomen in het ‘Overgangsprotocol huishoudelijke verzorging in verband met de invoering van de Wmo’ (ministerie van VWS/ VNG, 2006).
Overgangsrecht ex-Wvg
De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wmo met betrekking tot voorzieningen waarvoor op grond van de Wvg een toekenningsbesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van de Wmo, blijven gelden gedurende de resterende looptijd van het besluit, maar ten hoogste twee jaar na de inwerkingtreding van de wet.
HOOFDSTUK 8
Artikel 8.7
Citeertitel en inwerkingtreding
Onderdeel van Verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Ridderkerk 2006