Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Ontslag en non-activiteit

Onderdeel van Verordening op de rekenkamercommissie Ridderkerk 2006 na 1e wijziging

1.. De raad ontslaat de leden of stelt hen op non-activiteit. 2.. Het lidmaatschap van een raadslid eindigt: a. op eigen verzoek, totdat in zijn opvolging is voorzien; indien het lid aftreedt als lid van de raad; indien de raad van oordeel is dat het lid niet langer geschikt is de functie van lid van de rekenkamercommissie te vervullen; 3.. Het lidmaatschap van een extern lid eindigt: na de benoemingsperiode, totdat in de opvolging is voorzien; op eigen verzoek, totdat in zijn opvolging is voorzien; bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de rekenkamercommissie. wanneer het lid bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; indien het lid bij onherroepelijk geworden rechtelijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld; binnen de benoemingsperiode als de raad besluit binnen die periode over te gaan tot een opzet van de rekenkamerfunctie in BAR-verband. 4.. De raad kan een extern lid tijdelijk op non-actief stellen: als tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld; als er een ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en of omstandigheden die tot ontslag leiden, zoals genoemd in het derde lid, onder d. 5.. De externe leden van de rekenkamercommissie kunnen door de raad worden ontslagen wanneer zij door ziekte of gebreken blijvend of langdurig ongeschikt zijn hun functie te vervullen; wanneer het lidmaatschap naar het oordeel van de raad schade toebrengt aan het (publieke) vertrouwen in de commissie.

Rechtspraak bij dit artikel