Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 2.4

Beperkingen

Onderdeel van Verordening voorzieningen gehandicapten 2004

Artikel 2.4 Beperkingen Van woongebouwen die specifiek op gehandicapten en ouderen gericht zijn mag men, zeker voor de gemeenschappelijke ruimten, verwachten dat zij rekening houden met de specifieke kenmerken van de doelgroep waarvoor zij bestemd zijn. Dat betekent dat voorzieningen in die algemene ruimten niet voor vergoeding in het kader van de WVG in aanmerking komen. Specifieke voorzieningen in het eigen woongedeelte van de gehandicapte kunnen wel voor vergoeding in aanmerking worden gebracht, tenzij het gaat om voorzieningen die geacht mogen worden zonder noemenswaardige meerkosten bij nieuwbouw aangebracht te kunnen worden en wanneer het gaat om een gebouw dat is gerealiseerd vanaf de negentiger jaren. Vanaf de jaren negentig is de gedachte van het zogenaamde aanpasbaar bouwen gemeengoed geworden. Hierbij wordt het als normaal beschouwd wanneer bij de bouw van bepaalde voorzieningen al rekening gehouden wordt met de kenmerken van ouderen of gehandicapten. Uiteraard geldt dit met name voorzieningen die bij de bouw zonder (noemenswaardige) meerkosten meegenomen kunnen worden. Voorzieningen die leiden tot aanzienlijke kosten en op het individu gericht zijn zullen veelal niet standaard aangebracht worden. Artikel 2.5 Hoofdverblijf De zorgplicht die gemeenten met betrekking tot de verlening van woonvoorzieningen hebben, beperkt zich tot het hoofdverblijf van de gehandicapte. Op grond hiervan is het opnemen van artikel 2.4 lid 2 t/m 5 facultatief. Op grond van artikel 2 Wet voorzieningen gehandicapten zijn gemeenten niet verplicht om, als de gehandicapte zijn hoofdverblijf in een AWBZ-instelling heeft, een woonruimte bezoekbaar te maken. Deze aanpassing komt dan ten laste van de gehandicapte. Mocht een gemeente desalniettemin besluiten het bezoekbaar maken van één woonruimte te subsidiëren, dan kan dit opgenomen worden volgens de formulering van artikel 2.4 lid 2. Hierbij moet echter wel rekening worden gehouden met het gegeven dat toestemming van de eigenaar van de woning nodig is. Omdat de voorziening buiten de directe werkingssfeer van de wet valt, kan de verhuurder niet gedwongen worden (via aanschrijving) om de woning aan te passen. In principe is een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing dus alleen mogelijk indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in de woning waaraan de voorzieningen worden getroffen. Een uitzondering kan gemaakt worden als de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk dat eenmalig een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt ten behoeve van het aanpassen van één woonruimte waar de gehandicapte vaak verblijft, uiteraard met toestemming van de eigenaar van die woonruimte. De financiële tegemoetkoming beperkt zich slechts tot het bezoekbaar maken van die woning omdat de gehandicapte daar slechts geringe tijd verblijft. Uit doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen volledige maar een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt verstaan dat de gehandicapte bijvoorbeeld de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken/gebruiken. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar de bezoekbaar te maken woning staat. Deze bepaling wordt opgenomen omdat de gehandicapte anders in de gemeente waar hij zijn hoofdverblijf heeft de aanvraag zou indienen. In het vierde lid is een beperking van het maximumbedrag opgenomen. Dit is bedoeld om het zogenaamde bezoekbaar maken voor bewoners van een AWBZ-instelling, dat ingevolge van artikel 2, de leden 1,2 en 3 in combinatie met de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, niet onder de gemeentelijke zorgplicht valt, te beperken tot bijvoorbeeld een maximumbedrag dat gelijk is aan het bedrag van de verhuiskostenvergoeding. Indien het primaat van de verhuizing wordt gehanteerd zal dat veelal het maximumbedrag zijn dat beschikbaar wordt gesteld indien een zelfstandig wonende gehandicapte een woonvoorziening aanvraagt en het hanteren van het primaat van de verhuizing mogelijk is. Het zou merkwaardig zijn als dan bij een aanvraag die niet onder de WVG valt, maar die toch verstrekt wordt, bij een gehandicapte die niet eens binnen de gemeente woonachtig is, ineens een (veel) hoger bedrag beschikbaar gesteld zou worden dan gebeurt bij een zelfstandig wonende gehandicapte. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is af te leiden dat in dit soort situaties in principe geen aanleiding gevonden hoeft te worden de hardheidsclausule toe te moeten passen, omdat het een buitenwettelijke taak is. Toepassing van de hardheidsclausule is uiteraard wel toegestaan, doch niet afdwingbaar. Artikel 2.6 Beperkingen Als een gehandicapte in een voor de handicap adequate woning woont bestaat uiteraard altijd het recht tot verhuizing. Bij die verhuizing mag van de gehandicapte verwacht worden dat deze rekening houdt met de aanwezige omstandigheden, ook de omstandigheden die te maken hebben met de handicap. Dat betekent dat gezocht zal moeten worden naar een woning die weer adequaat is. Dit kan in een tweetal situaties anders liggen. Indien op basis van ziekte of gebrek de handicap zal verergeren en op korte termijn belemmeringen bij het normale gebruik van de woning zullen optreden zal een uitzondering op deze situatie gemaakt moeten worden. In die situatie moet het wel vaststaan of zeer waarschijnlijk zijn dat de belemmeringen op korte termijn zullen toenemen. In die situatie hoeft niet gewacht te worden tot de belemmeringen daadwerkelijk zijn toegenomen. Een tweede situatie betreft een situatie waarin er belangrijke redenen zijn om te verhuizen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het aanvaarden van een andere werkkring door de gehandicapte of zijn partner op een afstand die niet bereisbaar geacht moet worden. Of de noodzaak tot mantelzorg die niet realiseerbaar is in de woning waar de gehandicapte op dat moment woont, terwijl een afweging is gemaakt ten aanzien van professionele ondersteuning of zorg. Ook in die situatie kan verhuizing vanuit een adequate woning leiden tot medewerking van nieuwe aanpassingen in een te betrekken woning, mits daarbij gezocht is naar de meest adequate woning die op dat moment beschikbaar is en in de situatie van de gehandicapte passend geacht moet worden. Als niet verhuisd wordt naar de meest geschikte woning kan daar aanleiding toe bestaan. Dit artikel regelt dat in die situatie aan de aanpassing toch meegewerkt kan worden mits tevoren schriftelijk toestemming daartoe is verleend door burgemeester en wethouders. De toestemming tevoren is belangrijk, zodat beoordeeld kan worden of inderdaad gesproken kan worden van de meest geschikte woning. Ook kan beoordeeld worden of de kosten binnen de WVG passen en of mogelijk andere oplossingen de voorkeur verdienen. Artikel 2.7 Gemeenschappelijke ruimten Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kunnen, indien daar een aanvraag voor is gedaan, aangebracht worden. Het dient daarbij te gaan om woongebouwen die niet bedoeld zijn voor ouderen en/of mensen met een handicap. Voor deze gebouwen geldt immers het gestelde in artikel 2.3. Het kan de voorkeur verdienen bepaalde voorzieningen niet in gemeenschappelijke ruimte aan te brengen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan (trap)liften in gemeenschappelijke ruimten in de buitenlucht. Het gaat daarbij om voorzieningen waar iedereen bij kan, zodat zij zeer gevoelig zijn voor vandalisme en daartegen beschermd moeten worden, hetgeen hoge kosten met zich mee kan brengen. Bovendien vergt het gegeven dat zij zich in de buitenlucht bevinden ook extra beschermingsmaatregelen. Om deze reden kan sprake zijn van (zeer) dure voorzieningen. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan afgeleid worden dat indien in dit artikel de in gemeenschappelijke ruimte aan te brengen voorzieningen limitatief opgenomen zijn en daar een redelijke onderbouwing voor gegeven kan worden, verstrekking van die niet opgenomen voorzieningen achterwege kan blijven. Dit kan leiden tot een betere verdeling van de beschikbare middelen over de aanwezige woongebouwen. Artikel 2.8Woonwagens, Verhuiskostenvergoeding en Tijdelijke huisvesting Bij invoering van de WVG in 1994 is er voor gekozen een groot aantal regels uit de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten in de modelverordening op te nemen. Daardoor kreeg het hoofdstuk met de nadere invulling rond woonvoorzieningen een ander karakter dan de hoofdstukken met de regels rond vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Er kan voor gekozen worden om de hoofdstukken meer gelijkvormig te maken. Een aantal regels dat bedoeld is om voorwaarden bij het verstrekken van uitsluitend woonvoorzieningen is daartoe bij elkaar gebracht. Dit biedt de mogelijkheid deze artikelen uit de verordening te halen zonder al te veel consequenties. Omdat zij toch de uitvoering regelen kan er voor gekozen worden deze regels op te nemen in de toelichting op de verordening of in het verstrekkingenbeleid. Artikel 2.7 bestaat geheel uit dit soort nader regelende artikelleden. Van belang is dat zij ofwel in de verordening zijn opgenomen, ofwel elders een plaats vinden. Ten aanzien van lid 11 (het zogenaamde anti-speculatiebeding) is ervoor gekozen dit niet in de verordening op te nemen omdat van waardevermeerdering eigenlijk uitsluitend sprake is als de aanpassing een aanbouw aan de woning betreft, een zaak die uitsluitend in bijzondere situaties voor aanpassing in aanmerking komt. Van belang is bij het hanteren van het anti-speculatiebeding dit in de beschikking op te nemen. Ten aanzien van lid 3, b geldt dat onder een ADL-woning verstaan wordt ‘een woning die deel uitmaakt van een cluster bij elkaar horende aangepaste woningen waarvan de bewoner(s) voor hun dagelijkse levensverwachtingen zijn aangewezen op ADL-assistentie’ (bron: Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring ADL-clusters en ADL-assistentie 1996). HOOFDSTUK 3. VervoersvoorzieningenArtikel 3.1 Algemene omschrijving Artikel 3.1 maakt een onderscheid tussen drie soorten vervoersvoorzieningen, te weten: het collectief vervoerssysteem (a), de voorzieningen in natura (b), een tegemoetkoming of een forfaitaire, dan wel gemaximeerde vergoeding in de kosten van vervoer (c). Deze laatste categorie kan dus op tweeërlei wijze worden ingevuld: als een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanschaf en/of gebruik van een vervoermiddel of aanpassing daaraan, dan wel een forfaitaire of gemaximeerde vergoeding voor het gebruik van een vervoermiddel of aanpassing daaraan (zie verder de toelichting op artikel 1.1 onder m, n en o). Het onderscheid tussen deze drie hoofdcategorieën vervoersvoorzieningen (collectief vervoerssysteem, voorzieningen in natura en tegemoetkomingen, dan wel vergoedingen in kosten van vervoer) is gemaakt gezien het verschillende karakter van deze vormen van voorzieningverstrekking. In deze algemene omschrijving wordt een opsomming gegeven van vervoersvoorzieningen die op grond van deze verordening kunnen worden verstrekt. Omdat het een opsomming is waaraan niet de voorwaarde verbonden is dat het om de ene of de andere voorziening gaat, is het ook mogelijk een combinatie van deze vervoersvoorzieningen te verstrekken. Een uitzondering hierop wordt gemaakt wat betreft de bruikleenauto. Deze vervoersvoorziening kan niet in combinatie met het gebruik van een collectief vervoerssysteem worden verstrekt (zie artikel 3.2 derde lid). 1.Een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer Dit is de eerste vorm die genoemd wordt bij de algemene omschrijving van vervoersvoorzieningen, omdat dit een vorm is die tevens individuele voorzieningen (gedeeltelijk) overbodig kan maken. Het is derhalve een voorziening die binnen de rangorde van voorzieningen het primaat heeft. Dit primaat blijkt met name uit de formulering van artikel 3.2, eerste en tweede lid, alwaar op dit primaat nader ingegaan wordt. Door een hoogwaardig systeem van aanvullend openbaar vervoer op te (doen) zetten kan een gemeente in belangrijke mate aan haar zorgplicht voldoen ten aanzien van het vervoer buitenshuis. Een dergelijk systeem dient wel aan een aantal voorwaarden te voldoen. De volgende kenmerken kunnen een rol spelen bij de beoordeling van een systeem: Het systeem dient te functioneren op de tijden die zoveel mogelijk een relatie hebben met de tijden waarop het bestaande openbaar vervoer ook functioneert; mensen met een handicap dienen zoveel mogelijk gelijke reismogelijkheden te hebben als mensen zonder handicap. Deze tijden zullen in praktijk liggen tussen 8.00 en 01.00 uur. De ervaring leert dat vervoer in het kader van de vrije tijd loopt van na de ochtendspits (9.00 uur) tot uiterlijk 24.00 uur 's avonds. Het systeem dient mensen met een handicap voor de deur op te halen en naar de deur van bestemming te brengen (met andere woorden een van-deur-tot-deur-systeem), of van deur naar een halte (bijvoorbeeld het station) te brengen (met andere woorden een deur-tot-halte-systeem). Ook vervoer met behulp van zogenaamde serviceroutes (halte-tot-halte, maar met een fijnmazig netwerk en halten op voor de doelgroep relevante plaatsen) kan onderdeel uitmaken van het systeem. Het systeem dient geschikt te zijn voor mensen met een handicap. Dat wil zeggen dat rekening gehouden wordt met mensen die moeite hebben met zitten en dat ook rolstoelen en scootermobielen meegenomen kunnen worden of personen vervoerd kunnen worden gezeten in een rolstoel. Het systeem dient oproepgestuurd te zijn; bij vooraanmelding dient de vooraanmeldingstijd tot maximaal één uur beperkt te blijven; eventueel kan het systeem ook gebruik maken van bloktijden bij halte-tot-deur-vervoer (het voertuig staat op bepaalde tijdstippen bij vaste haltes). Als het systeem aansluit op andere systemen dient een overstap (of eventueel meerdere overstappen; het aantal overstappen dient echter tot een minimum beperkt te worden) bij het aanmeldingstelefoontje gemeld en geregeld te kunnen worden. De kosten voor de gebruiker van een dergelijk systeem dienen in relatie te staan tot de kosten van het overige openbaar vervoer. Een lokaal systeem dat aan deze voorwaarden voldoet, mag geacht worden de lokale vervoersbehoeften adequaat te vervullen. Wanneer er een netwerk van systemen bestaat zouden ook de bovenlokale vervoersbehoeften met een dergelijke combinatie van systemen vervuld kunnen worden. Hierbij speelt zeker voor een deel van de doelgroep ook de mate van toegankelijkheid van het reguliere openbaar vervoer een belangrijke rol. Afhankelijk van de mate waarin de vervoersystemen dekkend voor de vervoersbehoefte van de gehandicapte zijn, zou een gemeente nog een aanvullende vervoersvoorziening kunnen verstrekken. Een gemeente die een dergelijk systeem niet kent, zal aangewezen zijn op de overige mogelijkheden. Bij een combinatie van verstrekkingen (bijvoorbeeld collectief systeem en aanvullende vervoerskostenvergoeding voor auto of taxi) zal de resterende vervoersbehoefte behoefte eenmalig of individueel vastgesteld moeten worden. Onder eenmalig wordt verstaan dat bij de bepaling van de hoogte van de vervoerskostenvergoeding voor auto of taxi het bijbehorende normbedrag voor alle gehandicapten in de gemeente (uitzonderingen daargelaten) met een x-percentage kan worden verlaagd afhankelijk van het bereik van het vervoerssysteem (zie verder algemene toelichting, paragraaf 1.1.4, en 'aanbevelingen werkgroep aanvullend (openbaar) vervoer', circulaire VNG d.d. 24 september 1993, kenmerk MAV/308488). Voorzieningen in natura Onder de punten sub b van lid 3.1 worden vervoersvoorzieningen genoemd, die in natura kunnen worden verstrekt. Hieronder wordt kort ingegaan op het soort vervoersvoorzieningen waarom het hier kan gaan. In het verstrekkingenboek zal in hoofdstuk 5 een meer gedetailleerde opsomming worden opgenomen. Allereerst de (aangepaste) auto voor korte en lange afstand. Dit kan zowel een personenauto zijn als een aangepaste bus. Deze voorziening kan gecombineerd worden met een vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van dit vervoermiddel zoals verderop onder vergoedingen in vervoerskosten zal worden vermeld. Bedoeling van een voorziening als deze is dat hiermee alle vervoersbehoeften kunnen worden ingevuld, omdat het openbaar vervoer en een aanvullend systeem geen of onvoldoende mogelijkheden bieden. Hiervan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn wanneer men woont op een plaats waar geen (aanvullend) openbaar vervoer komt of kan komen. Een (aangepaste) gesloten buitenwagen. Een dergelijke voorziening kan worden verstrekt als aanvulling op het gebruik van een collectief systeem dan wel een taxi- of autokostenvergoeding. Het gaat hier om vervoermiddelen die voorzien in de vervoersbehoefte op de korte afstand, in de directe omgeving van de eigen woning. Een open elektrische buitenwagen. Ook dit is een vervoermiddel voor de korte afstand, dat in aanvulling op het gebruik van een collectief vervoerssysteem kan worden verstrekt. Hier vallen ook de zogenaamde scootermobielen onder. Overigens gaat het dan om scootermobielen voor buitengebruik. Scootermobielen in de eerste plaats bestemd voor binnengebruik vallen onder de categorie rolstoelen. Een ander verplaatsingsmiddel. Hier vallen alle andere verplaatsingsmiddelen onder welke op grond van het gemeentelijk beleid op basis van de WVG in natura kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan open buitenwagens met benzinemotor, driewielfietsen en dergelijke. In het verstrekkingenboek zal nader worden ingegaan op dit onderdeel en zal tevens worden aangegeven welke overwegingen bij het al dan niet verstrekken van deze categorie voorzieningen aan de orde kunnen zijn. De vraag of deze vervoersvoorziening in natura dan wel in de vorm van een vervoerskostenvergoeding zal worden verstrekt, zal mede afhangen van de schaal waarop deze verstrekkingen plaatsvinden. Indien er slechts een enkele aanvraag voor een bepaalde voorziening is, zal verstrekking in bruikleen of huur (met het oog op herverstrekking) en de daaraan gekoppelde depotvorming, weinig efficiënt zijn en zal al gauw gekozen worden voor verstrekking in de vorm van een tegemoetkoming of vergoeding. Indien vervoermiddelen worden verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming, kan bij de vaststelling van de hoogte van deze tegemoetkoming de WVG-draagkracht van de gehandicapte worden betrokken (zie artikel 3 onder a Modelbesluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten). Tegemoetkomingen of vergoedingen in kosten van vervoer Ook de volgende groep voorzieningen dient vervangend voor of aanvullend op het gebruik van een collectief systeem gezien te worden. De hoogte van de vervoerskostenvergoeding kan daarom afhankelijk worden gesteld van de mate waarin een collectief systeem in de individuele vervoersbehoefte kan voorzien (zie artikel 3.2 lid 4). Deze categorie vervoersvoorzieningen is onder te verdelen in tegemoetkomingen of vergoedingen in de kosten van: aanpassingen aan de auto. Wanneer de gehandicapte een eigen auto bezit, bestaat de mogelijkheid financieel tegemoet te komen in de kosten van aanpassing aan de eigen auto. Ook hierbij kan de WVG-draagkracht van de gehandicapte worden betrokken (zie artikel 3 modelbesluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten); gebruik van een bruikleenauto. Het betreft hier een vergoeding voor het gebruik van een bruikleenauto; gebruik van taxi of een eigen auto. Voor dat deel waarin een collectief systeem onvoldoende verplaatsingsmogelijkheden biedt kan aanvullend daarop een vergoeding worden gegeven in de kosten van het gebruik van de eigen auto of een taxi; gebruik van een rolstoeltaxi. Omdat de kilometerprijs van een rolstoeltaxi hoger is dan die van een gewone taxi worden hier aparte normbedragen voor opgevoerd; aanschaf of gebruik van een ander vervoermiddel. Hierbij kan gedacht worden aan dezelfde vervoersvoorzieningen als hierboven genoemd onder b4; hier wordt echter de voorziening niet in natura geleverd, maar in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Tevens kan het gaan om aanpassingen aan diverse vervoermiddelen, zoals aanpassingen aan een standaardfiets. En ten slotte kunnen onder de noemer 'gebruik van een ander verplaatsingsmiddel' kosten vallen als oplaadkosten voor een elektrische buitenwagen. In het verstrekkingenboek wordt, naast een overzicht dat zal worden gegeven van de mogelijkheden die er op dit gebied zijn, nader ingegaan op de keuzen die gemeenten hieromtrent kunnen maken. Geen vergoeding wordt verstrekt voor noodzakelijke begeleiding van de gehandicapte, tenzij deze begeleiding substantiële kosten met zich meebrengt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel