Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 2.8

Woonwagens, verhuiskostenvergoeding en tijdelijke huisvesting

Onderdeel van Verordening voorzieningen gehandicapten 2004

1.. Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten als bedoeld in artikel 2.1, onder b en c indien de financiering van het niet door subsidie gedekte deel van de voorziening is voorzien. 2.. Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten aan woonwagens indien: de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar is; de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt; de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeenten op de standplaats stond; en de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet. indien de technische levensduur van de woonwagen ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, bedragen de maximale aanpassingskosten € 900,- 3.. Burgemeester en wethouders: kunnen een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 2.1, onder a verstrekken aan de gehandicapte of een persoon die op verzoek van de gemeente ten behoeve van een gehandicapte de woonruimte, bestemd voor permanente bewoning heeft ontruimd; verlenen slechts een financiële tegemoetkoming indien de gehandicapte niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen, de gehandicapte niet verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden, de gehandicapte niet verhuisd is naar een AWBZ-inrichting of een verpleeg- of verzorgingshuis en indien in de te verlaten woonruimte ergonomische belemmeringen zijn ondervonden, tenzij het een verhuizing naar een ADL-woning betreft. verlenen slechts een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten indien de gehandicapte niet eerder, in een periode dat hij niet gehandicapt was, is verhuisd of aantoonbare pogingen daartoe heeft aangewend, en dit in redelijkheid van hem had kunnen worden verwacht op grond van leeftijd, gezinssituatie en grootte, kwaliteit of ligging van de woning. 4.. Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting verlenen die door de gehandicapte moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van zijn huidige woonruimte of de door de gehandicapte nog te betrekken woonruimte. Deze financiële tegemoetkoming wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoon kan worden en de gehandicapte als gevolg daarvan dubbele woonlasten zou hebben. Een tegemoetkoming in de kosten in verband met tijdelijke huisvesting kan alleen worden verleend als de gehandicapte redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten zou hebben. De maximale termijn dat een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, bedraagt 6 maanden. In de in aanhef bedoelde gevallen kan alleen een tegemoetkoming in de kosten worden verleend als deze kosten gemaakt werden in verband met het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte of het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte, of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. De financiële tegemoetkoming bedraagt het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten met een maximum van € 500,- per maand bij het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte en met een maximum van € 250,- per maand bij het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte (tijdelijke inwoning). Hoofdstuk 3. Vervoersvoorzieningen

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel