Deze verordening wordt aangehaald als; Verordening voorzieningen gehandicapten Gemeente Ridderkerk 2004.
Deze verordening treedt op 1 april 2004 in werking.
Op dat tijdstip wordt de op 26 november 2001 vastgestelde Verordening voorzieningen gehandicapten Gemeente Ridderkerk, ingetrokken.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de Gemeente Ridderkerk op
26 januari 2004.
Ridderkerk,
De raad voornoemd,
de griffier, de voorzitter,
L.E./560/2003-176
Artikelsgewijze toelichting op de Verordening gehandicapten
2004, Gemeente Ridderkerk
Afdeling I AlgemeenHOOFDSTUK 1 Algemene bepalingenArtikel 1.1 Begripsbepalingen In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard.
Voorzieningen Onder a wordt het begrip voorziening beperkt tot de onderdelen die onder de Wet voorzieningen gehandicapten vallen, te weten woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. De Wet geeft zelf een omschrijving van het begrip woonvoorziening en van het begrip vervoersvoorziening. Van het begrip rolstoel is geen omschrijving gegeven, noch in de Wet noch in deze verordening. Hoewel iedereen precies weet wat onder een rolstoel verstaan wordt, geeft het formuleren van een begripsomschrijving grote problemen. Onder rolstoel dient hier begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd. De trippelstoel valt onder de door de AWBZ te verstrekken voorzieningen. Een scootermobiel komt voor in drie varianten, voor binnen, zowel voor binnen als buiten, en uitsluitend voor buiten. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Indien een rolstoel uitsluitend voor buitengebruik geschikt is, is de rolstoel per definitie een vervoersvoorziening. De sportrolstoel valt in het kader van deze modelverordening onder het begrip rolstoel.
Inkomen Bij het begrip inkomen wordt uitgegaan van het begrip zoals dat in het (ingetrokken) Besluit landelijke draagkrachtcriteria (Bld) was omschreven. Hiervoor is gekozen omdat er vanuit wordt gegaan dat de meeste gemeenten bij de vaststelling van het inkomen en de draagkracht dit begrip zullen zijn blijven hanteren. Als gevolg van de Oort-wetgeving is het echter niet mogelijk de omschrijving zoals indertijd in het Bld in artikel 1 onder b was opgenomen, integraal over te nemen. Om die reden is bij de formulering van dit begrip ten opzichte van de formulering in het Bld aangepast. Daarbij is aangesloten bij de formulering van het begrip inkomen in het Ontwerp-Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (Stcrt. 174, 13-9-1993). De regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG bepaalt voorts in artikel 2 dat bij de vaststelling van het inkomen in ieder geval buiten beschouwing wordt gelaten de inkomsten bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de Algemene bijstandswet. In dit artikel wordt onder meer genoemd:
kinderbijslag;
uitkeringen of vergoedingen voor specifieke kosten;
inkomsten uit arbeid of uitkeringen van kinderen tot 21 jaar;
inkomsten uit bescheiden vermogen.
Wat betreft de eigen bijdragen AWBZ is in de regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdrage WVG vastgelegd dat deze in ieder geval in mindering op de WVG-draagkracht moet worden gebracht alvorens de hoogte van de eigen bijdrage of eigen betaling wordt vastgesteld. Voor de definiëring van WVG-draagkracht zij op deze plaats verwezen naar de toelichting op het besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten. Gemeenten zijn vrij de wijze waarop inkomen wordt vastgesteld, zelf te bepalen. In artikel 1.1 onder b is een omschrijving van dit begrip gegeven. Onder inkomen wordt in gevolge artikel 1.1 onder b verder verstaan het inkomen van de gehandicapte, dan wel het gezamenlijk inkomen van zijn ouders of pleegouders, dan wel het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot. Wanneer bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage en de hoogte van de financiële tegemoetkomingen het inkomen wordt betrokken, dient dus te worden uitgegaan van het voor de aanvraag relevante inkomen. Gaat het om een gehandicapte jonger dan 18 jaar, dan geldt het gezamenlijk inkomen van ouders of pleegouders, tenzij betrokkene gehuwd is. Een persoon jonger dan 18 jaar die gehuwd is, is immers voor de wet meerderjarig en in dat geval zal dus niet meer het inkomen van ouders of pleegouders bij de aanvraag moeten worden betrokken, maar dient het gezamenlijk inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot in beeld te worden gebracht. Indien het inkomen van pleegouders wordt betrokken bij de toekenning van voorzieningen dient wel aan de voorwaarde te zijn voldaan dat de pleegouders het pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden (zie ook WVG artikel 5 lid 2). Is er sprake van een samenlevingsvorm die in gevolge artikel 1 lid 2 t/m 4 WVG wordt beschouwd als 'de gehandicapte en zijn echtgenoot' dan kan het gezamenlijk inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen worden betrokken. Heeft de gehandicapte geen 'echtgenoot' in de zin van artikel 1 lid 2 t/m 4 WVG en is de gehandicapte ouder dan 18 jaar dan kan dus alleen het inkomen van de gehandicapte betrokken worden bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen. Ten slotte is onder dit artikel aangegeven dat in alle gevallen de verschuldigde belasting (loonbelasting voor werknemers en inkomstenbelasting voor niet-loontrekkenden), sociale verzekeringspremies (zoals premies AOW, AWW, AAW, WAO en ZFW) en de pensioenpremies in mindering van het bruto-inkomen dienen te worden gebracht alvorens van inkomen in de zin van artikel 1.1 onder b van deze verordening kan worden gesproken. De procentuele ziekenfondspremie dient daarentegen niet op het bruto inkomen in mindering te worden gebracht. In de Regeling inzake financiële tegemoetkoming en eigen bijdragen WVG wordt het norminkomen immers gedefinieerd als optelsom van de betreffende bijstandsnorm en de procentuele ziekenfondspremie. Zou dit bedrag dat bij de bijstandsnorm wordt opgeteld vervolgens bij de bepaling van het inkomen van het bruto-inkomen worden afgetrokken, dan zou voor hen die deze premie betalen de ruimte in inkomen (verschil tussen norminkomen en inkomen) kleiner zijn dan deze in werkelijkheid is (zie ook hieronder bij de toelichting op de Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG). Het inkomen dat bij de verlening van voorzieningen kan worden betrokken is in het kader van deze modelverordening dus gedefinieerd als een 'netto-inkomen', voor zover dit natuurlijk een eenduidig begrip is (zo wordt bijvoorbeeld de te betalen hypotheekrente, en andere fiscale aftrekposten niet betrokken bij het hier gehanteerde begrip 'netto-inkomen').
Woonwagen De begripsomschrijving van woonwagen komt overeen met de begripsomschrijving zoals opgenomen in de Woningwet.
Standplaats De begripsomschrijving van standplaats is in overeenstemming met de begripsomschrijving van standplaats in de Woningwet.
Hoofdverblijf In de begripsomschrijving van woonvoorziening is tot uitdrukking gebracht dat het gaat om een woonruimte die bedoeld is om permanent bewoond te worden en daar ook geschikt voor is. Woonruimten die niet aan deze criteria voldoen komen niet voor aanpassing in aanmerking, ook al dienen zij voor een gehandicapte tot woonverblijf. Vaak zal hier sprake zijn van niet-toegestane permanente bewoning van recreatieverblijven. Krachtens de WVG heeft de gemeente zorgplicht voor de in de gemeente woonachtige gehandicapten. In eerste instantie geeft de gemeentelijke bevolkingsadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de gehandicapte daadwerkelijk verblijft heeft een zorgplicht voor het verlenen van voorzieningen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft de zorgplicht betrekking op de vervoersvoorzieningen. In die gevallen waarin gehandicapten een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten de betreffende instellingen op grond van artikel 75 van de Wet GBA aanwijzen op bepaalde, door de gemeente vast te stellen tijdstippen een overzicht te verstrekken van personen welke naar redelijke verwachting voor onbepaalde tijd verblijven in de instelling, dan wel gedurende drie maanden ten minste tweederde van de tijd in de instelling zullen verblijven. Het is noodzakelijk de zinsnede 'dan wel zal staan ingeschreven' op te nemen voor situaties waarin de gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. In die gevallen dat de gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen moet duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. De WVG zelf geeft hierover geen uitsluitsel. Artikel 2, eerste lid, van de WVG stelt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. De modelverordening beoogt met de zinsnede 'en op welk adres de gehandicapte in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, dan wel zal staan ingeschreven' een mogelijkheid te openen aanvragen in te dienen bij gemeenten waar men nog niet woonachtig is. Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning staat. Deze gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de woning de goedkoopste, adequate oplossing is of dat een reeds geschikte woning beschikbaar is. De gemeente waaruit de gehandicapte vertrekt, heeft hier geen inzicht in. Van belang is wel dat er in voorkomende gevallen zekerheid bestaat dat de gehandicapte ook daadwerkelijk naar de andere gemeente zal verhuizen en ook recht heeft op een woningaanpassing. Er dient dus een medische indicatie plaats te vinden. Ook in die gevallen dat een aanvraag wordt gedaan voor het bezoekbaar maken van een woonruimte voor de gehandicapte die in een AWBZ-instelling verblijft, is bovenstaande formulering van belang. Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten gemeente.
Wet Overal waar in deze modelverordening over Wet gesproken wordt, zo bepaalt artikel 1.1 onder l, wordt de Wet voorzieningen gehandicapten bedoeld.
Gemeenschappelijke ruimten Het begrip gemeenschappelijke ruimte wordt onder i omschreven als de ruimten die niet tot de onderscheiden woning behoren, zoals gangen en portalen en trappenhuizen die toegang verschaffen tot de woonruimte. De omschrijving kan uitgebreid worden met andere gemeenschappelijke ruimten die de gehandicapte moet kunnen gebruiken.
Woningaanpassingen In deze verordening wordt onder woningaanpassing verstaan woningaanpassingen van bouw- of woontechnische aard (onroerende woonvoorzieningen). Deze categorie betreft de voorzieningen die op grond van de RGSHG werden verstrekt en betreft het overgrote deel van de woningaanpassingen. Om voor deze voorzieningen in aanmerking te komen moet er sprake zijn van ergonomische beperkingen. Het criterium ergonomische beperkingen is dus gekoppeld aan bouw- of woontechnische voorzieningen. De woonvoorzieningen van niet-bouw- of woontechnische aard vallen niet onder dit begrip, deze worden afzonderlijk in artikel 2.1, onder c genoemd. Onder woningaanpassingen wordt tevens verstaan: aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten die noodzakelijk zijn om de individuele woning van de gehandicapte te kunnen bereiken. Sinds 1 april 2000 vallen ook de bouwkundige aanpassingen aan woningen duurder dan € 20.500 onder het bereik van de WVG. Aanpassingen tussen € 20.500 en € 45.500 vallen onder de normale WVG-regels, zoals ook voor aanpassingen onder € 20.500 gelden. Boven € 45.500 zijn aanpassingen in uitzonderlijke situaties mogelijk. Er dient dan gebruik gemaakt te worden van de in artikel 8.1 onder lid 3 opgenomen hardheidsclausule