Naar hoofdinhoud

Artikel 0

Dit artikel moet nog worden gesplitst

Onderdeel van Welstand Ridderkerk

Onze Welstandsnota Nadenken over de ruimtelijke kwaliteit van onze gemeente is een boeiende aangelegenheid. Als er wordt gesproken over wat mooi is en wat lelijk, over wat gewenst is of juist niet, is iedereen "een deskundige", en terecht. Dit kwam onder meer tot uiting in het enthousiasme van de raadsleden om foto’s te maken van "mooie" of "minder mooie" bouwwerken in onze gemeente, en de daaropvolgende levendige discussie. Doordat iedereen een eigen mening heeft is het echter niet altijd duidelijk waarom een bouwplan wèl of juist nìet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daarom is in de nieuwe Woningwet opgenomen dat het welstandsbeleid helderder en inzichtelijker moet. Met het welstandsbeleid op de nieuwe leest wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het behoud en de ontwikkeling van een aantrekkelijke leefomgeving. Bij het opstellen van het welstandsbeleid is veel aandacht besteed aan het herkennen van cultuurhistorische waarden in onze regio. Deze bepalen voor een belangrijk deel de identiteit van onze gemeente. De nog steeds herkenbare linten langs de dijken, de kerk met de kerkring en het landgoed Huys ten Donck zijn zeer waardevol. Ook woningen, boerderijen en oude bedrijfsgebouwen zijn vaak beeldbepalend. Nieuwe ontwikkelingen kunnen worden ingepast in de bestaande omgeving of zelfs een verbetering van de bestaande omgeving tot stand brengen. Deze welstandsnota kan ons helpen de kwaliteit van de bestaande èn de toekomstige omgeving te waarborgen. Ook zal het een handig hulpmiddel zijn voor de burger en architect bij de ontwikkeling van bouwplannen. Het college zal jaarlijks een verslag uitbrengen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid en zonodig voorstellen doen om het beleid bij te stellen. Dit zal de betrokkenheid van de raad en de burgers bij de welstandsnota vergroten. Ik ben ervan overtuigd dat deze welstandsnota een welkome bijdrage zal leveren aan de inzichtelijkheid en helderheid van de besluitvorming rond welstandsaspecten van een bouwplan. Uiteindelijk zal deze welstandsnota ook een bijdrage leveren aan het karakter van onze gemeente en z’n herkenbare wijken. Maarten den Boef, wethouder Voorwoord 3 Inhoud 5 Artikel A: Beleidsregels 7 1. Inleiding 9 Redelijke eisen van welstand 9 Doel en uitgangspunten van het welstandsbeleid 9 Welstandscommissie 10 Welstandsnota 10 Leeswijzer 10 2. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid 13 De huidige welstandszorg 13 Ruimtelijk beleid 13 Conclusies voor de welstandsnota 15 3. Algemene welstandscriteria 17 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie 17 Relatie tussen bouwwerk en omgeving 18 Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context 18 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit 19 Schaal en maatverhoudingen 19 Materiaal, textuur, kleur en licht 19 4. Gebiedsgerichte welstandscriteria 21 Gebiedsindeling en welstandsniveau’s 22 Gebied 1 Historisch centrum Kerksingel/Sint Jorisstraat 24 Gebied 2 Lintbebouwing ringdijk 26 Gebied 3 Lintbebouwing Lagendijk 28 Gebied 4 Lintbebouwing Kerkweg/Kievitsweg 30 Gebied 5 Lintbebouwing Rijsoord/Oostendam 32 Gebied 6 Dorpskern Oostendam Ridderkerk 34 Gebied 7 Modern winkelcentrum 36 Gebied 8 Woonwijken jaren ‘20 - ‘30 38 Gebied 9 Woonwijken jaren ‘50 - ‘60 40 Gebied 10 Woonwijken jaren ‘70 - ‘80 42 Gebied 11 Woonwijken jaren ‘90 - ‘05 44 Gebied 12 Hoogbouw 46 Gebied 13 Individuele uitbreidingen 48 Gebied 14 Seriematige dorpsuitbreidingen 50 Gebied 15 Modern bedrijventerrein 52 Gebied 16 Traditioneel bedrijventerrein 54 Gebied 17 Havens 56 Gebied 18 Parken en sportcomplexen 58 Gebied 19 Buitengebied 60 5. Objectgerichte welstandscriteria 63 Object 1 Boerderijen 64 Object 2 Agrarische bedrijfsgebouwen 66 Object 3 Dakopbouwen 68 Object 4 Reclamezuilen, zendmasten en windturbines 72 6. Criteria voor de sneltoets 75 Klein plan 1 Aan- en uitbouwen (en aangebouwde bijgebouwen) 78 Klein plan 2 Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen 82 Klein plan 3 Dakkapellen 86 Klein plan 4 Gevelwijzigingen 92 Klein plan 5 Erfafscheidingen 94 Klein plan 6 Dakramen 96 Klein plan 7 Zonnepanelen en -collectoren 98 Klein plan 8 Spriet-, staaf- en schotelantennes 100 Klein plan 9 Rolhekken, luiken en rolluiken 102 Klein plan 10 Glazen kassen en warenhuizen 104 Klein plan 11 Reclame 106 7. Welstandscriteria bij (her)ontwikkelingsprojecten 109 Procedure 109 8. Welstandscriteria bij excessen 111 Toetsing achteraf 111 Artikel B: Overgangsbepaling 113 Bijlage 115 1. Begrippenlijst 115 2. Monumentenlijst 123 3. Straatnamen en bijbehorende welstandsgebieden 125 Colofon 131 De raad der gemeente Ridderkerk gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. ………………, gelet op artikel 12a eerste lid van de Woningwet, besluit: een welstandsnota vast te stellen, inhoudende de volgende beleids- regels die burgemeester en wethouders toepassen: De Woningwet van 1 januari 2003 roept gemeenten op welstandsbeleid te voeren. De gemeente Ridderkerk heeft deze gelegenheid te baat genomen om te komen tot een samenhangend en inspirerend beleid. De samenhang in de eigenschappen van gebieden en objecten zijn vertaald in objectieve beoordelingscriteria, die de burger een houvast moeten bieden bij het opstellen en indienen van een bouwplan. De omschreven regels zijn niet alleen bedoeld om het oordeel te motiveren, maar zeer zeker ook om de burger met bouwplannen vooraf informatie over en inzicht te geven in de wijze waarop de commissie over bouwplannen adviseert. Naast het vastleggen van criteria in het kader van de wet, is deze beleidsnota bedoeld om het enthousiasme voor de ruimtelijke kwaliteit te vergroten. Redelijke eisen van welstand Welstandstoezicht heeft allereerst ten doel te voorkomen, dat bouwwerken de openbare ruimte ontsieren. Het welstandsbeleid van de gemeente is echter opgesteld vanuit de overtuiging, dat het belang van een goede leefomgeving tevens een rol speelt. Bij iedere aanvraag voor een bouwvergunning wordt bekeken of de plannen voldoen aan redelijke eisen van welstand, wat inhoudt dat de plaatsing en het uiterlijk van het beoogde gebouw wordt beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op artikel 12 van de Woningwet. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen de aantrekkelijkheid van de leefomgeving als algemene waarde. Veel mensen zijn bereid mee te werken aan het instandhouden of zelfs bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van hun leefomgeving, maar willen wel graag van te voren op de hoogte zijn welke aspecten een rol spelen bij de welstandsbeoordeling na 1 juli 2004. De kaders waarbinnen deze plaatsvindt worden vastgesteld met een politieke keuze door de gemeenteraad, die moet zijn gebaseerd op inhoudelijk onderzoek en een maatschappelijke discussie. Modernisering en vermaatschappelijking van het welstandstoezicht is een belangrijke doelstelling van het voorstel tot wijziging van de Woningwet, die in januari 2003 van kracht is geworden. Artikel 12 van de Woningwet is in dit wijzigingsvoorstel uitgebreid met een nieuw artikel 12 A, dat bepaalt dat de welstandsbeoordeling alleen nog maar kan worden gebaseerd op door de gemeenteraad in een welstandsnota vastgestelde welstandscriteria. Doel en uitgangspunten voor het welstandsbeleid Met de verschijningsvorm van een bouwwerk wordt iedereen geconfronteerd. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat welstand een bijdrage levert aan het tot stand komen en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden te benoemen en een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen, maar ook om gebieden aan te wijzen waar een bijzondere kwaliteit gewenst is. Met de gebiedsgerichte benadering wil de gemeente de waardevolle eigenschappen van ieder afzonderlijk gebied behouden. Doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Opdrachtgevers, burgers en architecten kunnen in een vroeg stadium informeren welke criteria van toepassing zijn. Voor kleine veranderingen en aanpassingen aan bestaande gebouwen zijn objectieve criteria vastgesteld, die een ambtelijke toets mogelijk maken. Voor grotere bouwplannen in een bestaande omgeving geven de criteria een handreiking bij het maken van een ontwerp, dat binnen zijn context past. Met een jaarlijkse evaluatieronde zal het beleid worden besproken, beoordeeld en eventueel bijgesteld. De welstandscommissie Omdat de welstandsbeoordeling een complex gebeuren is, vragen burgemeester en wethouders bij de meeste bouwplannen een deskundig en onafhankelijk advies van de welstandscommissie. De werkwijze, samenstelling en taakomschrijving van de welstandscommissie is opgenomen in het ‘Welstandsreglement’ dat door de gemeenteraad is vastgesteld als bijlage bij de gemeentelijke bouwverordening. Het advies van de welstandscommissie is uiteindelijk één van de aspecten die een rol spelen bij de beslissing van burgemeester en wethouders om een bouwvergunning al dan niet te verlenen. Het welstandsadvies is voortaan gebonden aan democratisch vastgestelde welstandscriteria. De gemeenteraad stelt met de welstandsnota vast, waar de welstandscommissie op moet letten bij de beoordeling en advisering aan het college van burgemeester en wethouders. De welstandsnota In praktijk zal de welstandsnota niet als leesboek worden gebruikt. De gemiddelde burger met bouwplannen hoeft niet de hele nota te lezen. Wie wil weten welke criteria op een aanvraag van toepassing zijn, zal eerst kijken of het beoogde bouwwerk valt onder de veel voorkomende kleine plannen als dakkapellen en uitbouwen waarvoor in principe met ambtelijke toetsing kan worden volstaan. Is dit niet het geval, dan gelden de gebiedsgerichte criteria of de criteria voor specifieke bouwwerken. Deze zijn minder vast omlijnd dan die voor veel voorkomende kleine bouwplannen, omdat het meer relatieve criteria zijn. Ze laten meer ruimte over voor interpretatie. Indien gewenst kan met de welstandscommissie worden gesproken over de interpretatie in het licht van het beoogde plan. De welstandscriteria vormen een vangnet om plannen te weren, die niet in de gemeente passen. Dit is het primaire doel van welstandstoezicht. Beter zou het echter zijn als de criteria worden gebruikt om na te denken over het bouwwerk in zijn omgeving en als middel om de omgevingskwaliteit te verbeteren. Het kan voorkomen, dat de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn voor de beoordeling, maar dat het project wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Burgemeester en Wethouders kunnen daarom na schriftelijk en gemotiveerd advies hiervan afwijken. Voor het geven van een advies over dergelijke gevallen zijn algemene criteria opgenomen, die ingaan op de kwaliteiten van goed vakmanschap en dienen om de bijzondere zeggenschap te beargumenteren. In de praktijk zal gelden, dat aan een plan hogere eisen worden gesteld naarmate het zich meer van zijn omgeving onderscheidt. De welstandsnota moet inhoudelijke kennis koppelen aan juridisch houdbare criteria en efficiënte procedures. Bovendien moet de nota leesbaar, begrijpelijk en stimulerend zijn voor verschillende ‘gebruikers’. Dit programma van eisen levert een gelaagde nota op waarin welstandscriteria in allerlei soorten en maten worden uitgewerkt. Daarbij is in ruime mate gebruik gemaakt van foto’s en voorbeelden. Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het ruimtelijk beleid. Het omvat een beschrijving van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid als basis voor het gewenste welstandstoezicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de algemene welstandscriteria, die gelden als uitgangspunt voor iedere welstandsbeoordeling. Ze beschrijven het goede vakmanschap, dat de basis moet zijn van elk ontwerp. In hoofdstuk 4 en 5 wordt voor de gebieden en objecten in de gemeenten aangegeven op welke wijze dit vakmanschap zou moeten worden ingevuld. De beschrijvingen en criteria geven aan welke eigenschappen wenselijk zijn en dienen als agenda voor de beoordeling door de welstandscommissie. Hoofdstuk 6 bevat sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken als dakkapellen en bijgebouwen. De welstandscriteria voor deze kleine plannen zijn vrijwel objectief zodat een ambtelijke toets mogelijk is. Alleen als zo’n bouwplan van de criteria afwijkt of als in een bijzondere situatie de criteria niet van toepassing zijn, wordt het plan aan de welstandscommissie voorgelegd. In hoofdstuk 7 volgt een omschrijving van de te volgen procedure voor grotere projecten. Voor dergelijke projecten worden welstandscriteria opgesteld, die door de gemeenteraad dienen te worden vastgesteld. Hoofdstuk 8 tenslotte bestaat uit welstandscriteria voor vergunningsvrije bouwwerken. Deze zijn niet per definitie welstandsvrij, zodat er sprake kan zijn van excessen als zij in hun uiterlijk te sterk afwijken van de gewenste kwaliteit. Met behulp van deze criteria kan de gemeente achteraf optreden. De nota wordt afgesloten met bijlagen: een begrippenlijst en een register van straatnamen met een verwijzing naar de betreffende gebiedsbeschrijving(en). Tijdens het opstellen het welstandsbeleid is dit door de gemeente onder de aandacht van het publiek gebracht. Alvorens het beleid vast te stellen is de nota in de inspraak geweest om burgers de gelegenheid te geven hun inzichten kenbaar te maken en het draagvlak te vergroten. Na vaststelling van de welstandsnota zijn de welstandscriteria voor iedereen beschikbaar. Zowel de welstandscommissie als burgemeester en wethouders zullen in het vervolg jaarlijks aan de gemeenteraad rapporteren hoe zij met de uitvoering van het welstandsbeleid zijn omgegaan. In het ruimtelijk beleid van een gemeente is het welstandstoezicht het vangnet, waarmee de ondergrens van de visuele kwaliteit van gebouwen wordt bewaakt. Het niveau waarop dit net komt te hangen, is mede afhankelijk van het beleid van de gemeente. Voor het vaststellen van de regimes en beoordelingscriteria is het ruimtelijk kwaliteitsbeleid op gemeenteniveau geïnventariseerd en een analyse gemaakt van de consequenties voor het welstandsbeleid. Het ruimtelijk beleid wordt op hoofdpunten beschouwd. Verder wordt een aantal plannen samengevat en worden de mogelijke consequenties voor het welstandsbeleid belicht. De huidige welstandszorg Burgemeesters en wethouders laten zich bij de afgifte van bouwvergunningen adviseren door een adviescommissie die bestaat uit onafhankelijke deskundigen van de stichting Dorp, Stad & Land (DSL). Een keer per twee weken houdt de gemandateerde architect zitting in de aangesloten gemeente. Planindieners en ontwerpers kunnen desgewenst een toelichting geven op het plan. Alle kleine plannen, herhalingsplannen en plannen waarvan het advies van de regiocommissie als bekend mag worden verondersteld worden lokaal afgedaan. Alle overige aanvragen worden in dezelfde week in de bij deze gemeente behorende regiocommissie van DSL voorgelegd. Principiële plannen worden buiten de termijnen in de regiocommissie voor behandeling gereed gemaakt. De uitvoering van van het welstandstoezicht geschiedt onder verantwoordelijkheid van van Burgemeester en Wethouders. De plannen worden toegelicht aan de welstandscommissie, waarbij alle relevante informatie aan bod komt. Burgemeester en Wethouders volgen in het algemeen de adviezen van de welstandscommissie. Welstandsbeleid De gemeente voert sinds lange tijd welstandstoezicht uit. Hiervoor zijn algemene welstandscriteria opgenomen in de bouwverordening. Getoetst wordt onder andere op de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte en de stedenbouwkundige context. Verder wordt er beoordeeld op massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling mede in verband met de samenhang in het bouwwerk zelf. ruimtelijk beleid De basis voor het ruimtelijk beleid van de gemeente wordt vooral gevormd door bestemmingsplannen aangevuld met enkele structuurvisies en beeldkwaliteitsplannen. Bij het opstellen of wijzigen van stedenbouwkundige plannen of bestemmingsplannen wordt de welstandscommissie betrokken bij het schrijven van de beeldkwaliteitsparagraaf. Stedenbouw Stedenbouwkundige plannen in de gemeente worden opgesteld ten behoeve van de uitwerking van woon- en werkgebieden door wisselende externe bureau’s. In de stedenbouwkundige plannen wordt de toekomstige ruimtelijke kwaliteit beschreven. In Ridderkerk vormen het Beeldkwaliteitsplan Centrum, het ontwikkelingsprogramma Sterke wijken, vitale gemeente en Ridderkerk in groen perspectief momenteel de belangrijkste plannen. Het Beeldkwaliteitsplan voor het centrum van Ridderkerk is opgebouwd uit twee delen. Het eerste deel geeft een beeld van het nieuwe centrum van Ridderkerk. In het tweede deel worden in het kader van het beeldkwaliteitsplan criteria gepresenteerd die het voorgestane beeld van het centrum ondersteunen. Centraal in het plan is het ovale plein en de directe omgeving. De gekozen stijl voor de architectuur is 'modern klassiek'. Verder worden er richtlijnen gegeven voor rooilijnen, bouwhoogtes en materialen. Er zijn supervisors aangesteld die toezien op de beoogde beeldkwaliteit. De genoemde richtlijnen zullen worden verwerkt in de welstandsnota. In de nota Sterke wijken, vitale gemeente is in het kader van het Investeringsbudget Stedelijke vernieuwing een visie opgenomen die tevens als herijking van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie en het volkshuisvestingsbeleid dient. Deze visie is opgesteld aan de hand van een analyse van de verschillende beleidsvelden en het bepalen van gewenste ontwikkelingen. Vervolgens zijn er projecten benoemd die moeten worden opgepakt om de doelstellingen te bereiken. De visie geeft per deelgebied van de gemeente inzicht in de dynamiek. Dit inzicht zal haar weerslag hebben in de verschillende Welstandsniveau's. De nota Ridderkerk in groen perspectief is niet direct van invloed op het welstandsbeleid. Bestemmingsplannen In de gemeente gelden ongeveer 40 bestemmingsplannen. Een deel hiervan is ouder dan tien jaar. Enkele nieuwe bestemmingsplannen zijn momenteel in procedure. In verschillende bestemmingsplannen is een stedenbouwkundige paragraaf of een beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen. De welstandscommissie wordt altijd betrokken bij het opstellen van deze onderdelen van de bestemmingsplannen. Monumenten en cultuurhistorie Monumentale gebouwen en structuren in de gemeente zijn geïnventariseerd en in totaal tellen Ridderkerk, Slikkerveer, Rijsoord en Bolnes 43 rijksmonumenten en 28 gemeentelijke monumenten. De gemeente heeft in 1997 een subsidie verordening voor onderhoud van gemeentelijke monumenten vastgesteld met als doel het stimuleren van onderhoud en daarmee het behoud van waardevolle panden. De monumentencommissie heeft een adviserende rol ten opzichte van het college van burgemeester en wethouders. Openbare ruimte, landschap en beeldende kunst De gemeente voert geen expliciet kwaliteitsbeleid ten aanzien van de openbare ruimte met uitzondering van het gebied rondom de Kerksingel. Ingrepen worden dan ook niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Het beleid voor het buitengebied van de gemeente is vastgelegd in bestemmingsplannen. Er zijn geen gebieden met een bijzondere karakter die in dit beleid bijzondere aandacht krijgen. Voor beeldende kunst in de openbare ruimte voert de gemeente aankoopbeleid. De commissie Beeldende Kunst adviseert het college voor wat betreft de aankoop en plaatsing van kunst in de openbare ruimte. CONCLUSIES voor HET welstandsbeleid De basis voor het welstandsbeleid is vastgelegd in de Beeldkwaliteitsvisie Oost-IJsselmonde. Voor het bepalen van het ambitieniveau is een inventariserende analyse gemaakt van de aanwezige kwaliteiten van de gemeente. Op basis van de analyse is aangegeven wat de sterke danwel zwakke punten zijn in de ruimtelijke opbouw en welke kansen en bedreigingen daaruit voortvloeien. De aandacht is daarbij hoofdzakelijk uitgegaan naar structuren en verbanden in de opbouw van het landschap en de kernen. De analyse heeft geresulteerd in kaarten waarop de bijzondere structuren en bebouwing staan aangegeven. Samen met de bebouwingskaarten vormen deze de basis voor het te voeren welstandsbeleid. Aansluiting tussen de verschillende beleidsdocumenten Voor effectief en hanteerbaar kwaliteitsbeleid is het van belang zorg te dragen voor een goede afstemming en aansluiting tussen de verschillende instrumenten. Elk instrument heeft zijn eigen achtergrond en reikwijdte, maar daarnaast zijn ze ook met elkaar verweven omdat ze allemaal betrekking hebben op bebouwing. In het kader van het welstandsbeleid is vooral de relatie tussen bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en de welstandsnota van belang. Het bestemmingsplan is gericht op de ruimtelijke ordening en regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken. Datgene wat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. Dit houdt in, dat de grenzen van het bestemmingsplan bepalend zijn. De architectonische vormgeving van gebouwen valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt door de welstandsnota geregeld. Het welstandsadvies richt zich op de gekozen invulling. De welstandscriteria kunnen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit waar nodig invulling geven aan de ruimte die het bestemmingsplan biedt. Als een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan maar alternatieve invulling mogelijk is, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Uiteraard moet de welstandsnota de argumentatie voor een dergelijk advies leveren. De indiener kan dan worden gevraagd een andere invulling te geven binnen de bepalingen van het bestemmingsplan. Ook de afstemming tussen de welstandsnota en andere beleidsdocumenten zoals beeldkwaliteitsplannen is van belang. Deze worden in het algemeen ingezet om sturing te geven aan de uitwerking van stedenbouwkundige plannen en gaan in op de ruimtelijke en visuele aspecten van de openbare ruimte of gebouwen. Dit soort plannen dient te worden gehanteerd als inspiratiebron èn als toetsingskader. Dergelijke beleidsdocumenten worden door verwijzing danwel integrale opname geacht deel uit te maken van de welstandsnota. De welstandscommissie wordt geacht eveneens te toetsen aan de beeldkwaliteitsplannen. Vanzelfsprekend gelden voor deze documenten dezelfde eisen als voor de welstandsnota. Ze dienen als beleidsregel te zijn vastgesteld door de gemeenteraad met in achtneming van inspraak volgens de geldende gemeentelijke inspraakverordening. Ook dienen de in de beeldkwaliteitsplannen opgenomen criteria voor de vormgeving van bouwwerken ‘zo veel mogelijk’ te zijn toegespitst op het individuele bouwwerk en de gewenste specifieke aspecten. De aanwezige beeldkwaliteitsplannen vormen een onderdeel van het welstandsbeleid van de gemeente. De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan èlke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wèl aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo’n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. RELATIE TUSSEN VORM, GEBRUIK EN CONSTRUCTIE Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. RELATIE TUSSEN BOUWWERK EN OMGEVING Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen van en in bezit nemen van een deel van de algemene/open ruimte. Veelal vormen gevels en volumes zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een zelfstandig object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. BETEKENISSEN VAN VORMEN IN SOCIAAL-CULTURELE CONTEXT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. EVENWICHT TUSSEN HELDERHEID EN COMPLEXITEIT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. SCHAAL EN MAATVERHOUDINGEN Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. MATERIAAL, TEXTUUR, KLEUR EN LICHT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Ridderkerk. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van de gemeente en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving niet teveel uit de toon te vallen, en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. Gebiedsindeling In de gemeente Ridderkerk kunnen op basis van overeenkomsten in functionele, stedenbouwkundige en/of architectonische kenmerken 19 deelgebieden worden onderscheiden. Per welstandsgebied is een samenhangend beoordelingskader opgesteld, waarin de volgende onderdelen aan de orde komen: Een korte beschrijving van het gebied, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving, een typering van de bouwwerken en het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering. Een samenvatting van het beleid, de te verwachten en/of gewenste ontwikkelingen en de waardering voor het gebied op grond van de belevingswaarde en eventuele bijzondere cultuurhistorische, stedenbouwkundige of architectonische werken. De aanvullende beleidsinstrumenten die de gemeente inzet in het gebied. Het voor het gebied geldende welstandsniveau. De welstandscriteria, steeds onderverdeeld in criteria betreffende de ligging van het bouwwerk in de omgeving, de massa, de architectonische uitwerking en het kleur- en materiaalgebruik. Welstandsniveau’s Het vaststellen van het welstandsniveau is cruciaal voor het opstellen van de welstandscriteria. Het welstandsniveau moet aansluiten bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. In theorie zijn drie welstandsniveau’s mogelijk: het bijzondere welstandsgebied waar extra inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is, het reguliere welstandsgebied waar de basiskwaliteit moet worden gehandhaafd, het welstandsvrije gebied. Voor 6 gebieden in Ridderkerk wordt het bijzondere welstandsniveau voorgesteld. Het gaat om gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht. Het welstandstoezicht moet een bijdrage leveren aan het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Voor 13 gebieden wordt een regulier welstandsniveau voorgesteld. Deze gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De gemeente stelt hier geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden. In Ridderkerk wordt in deze beleidsnota geen welstandsvrij gebied aangewezen, omdat de gemeente het belangrijk vindt dat er gelet wordt op een goede architectonische kwaliteit van gebouwen in relatie met hun omgeving. Gebiedsbeschrijving Ridderkerk is ontstaan als een kerkring-voorstraatnederzetting. De dorpskern ligt dicht tegen de ringdijk en de kern ervan bestaat uit een omgracht kerkterrein met daaromheen bebouwing. Vanaf de ringdijk is ten zuiden van de kerkring de voorstraat aangelegd, de huidige Sint Jorisstraat. Via twee smalle straten is de Kerksingel verbonden met de Sint Jorisstraat. Ook de Schepenstraat en de Kerksteeg behoren tot de historische kern van het dorp. De vrijstaande bebouwing langs de Kerksingel bestaat uit woonhuizen en boerderijen en heeft een monumentaal karakter. Woningen met evenwijdig aan de weg lopende noklijnen liggen iets terug van de straat en hebben voortuinen. De boerderijen hebben over het algemeen een haaks op de weg staande noklijn. De gevels ervan sluiten direct aan op het straatprofiel. De gebouwen aan de Sint Jorisstraat zijn aaneen gebouwd en vormen een gesloten straatprofiel. De gevels sluiten direct aan op het straatprofiel. Langs de Schepenstraat en de Kerksteeg zijn korte rijtjes arbeiderswoningen gebouwd. De openbare ruimte en de overgang naar privéterrein zijn zorgvuldig vormgegeven. Met uitzondering van de arbeiderswoningen zijn de gebouwen individueel en afwisselend. Langs de Kerksingel verspringt de rooilijn. De arbeiderswoningen vormen korte rijtjes met rechte rooi- en noklijnen. De opbouw van de panden in het gebied bestaat uit van één tot twee lagen met een zadeldak. Bij boerderijen komt een enkele keer ook een wolfseind voor. Bij individuele panden varieert de nok- en goothoogte. Panden hebben over het algemeen een verticale geleding. De bovenbouw van de gevel is meestal symmetrisch opgebouwd, terwijl de onderbouw door een deur veelal a-symmetrisch is opgezet. Ramen zijn staand en meestal onderverdeeld door stijlen en regels. Aan de voorzijde komen geen aan- en uitbouwen voor. Dakkapellen zijn bescheiden van maat, staan meestal vlak boven of op de goot. Op-, aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt, staan achter de hoofdmassa en zijn in samenhang met de hoofdbebouwing vormgegeven. De detaillering van de panden is zorgvuldig en vooral bij de woningen en boerderijen langs de Kerksingel rijk. Dit komt tot uiting in een fijne uit-werking van kleine elementen als gootklossen, dak-, raam- en deur-lijsten. Ook in gemetselde gevelbeëindigingen, siermetselwerkpatronen en balkankers komt de rijke detaillering tot uiting. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel. Gevels zijn gemetseld in gele of rode baksteen of in sommige gevallen voorzien van in lichte tint gepleisterd stucwerk. Zijgevels kunnen ook betimmerd zijn met houten rabatdelen. De houten kozijnen hebben een traditioneel Hollandse profilering en zijn net als ramen, deuren en luiken geschilderd in crèmewit of donkergroen. Daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De bebouwing in het gebied rondom de Kerksingel heeft grote cultuurhistorische waarde voor Ridderkerk. Samen met de lintbebouwing langs de ringdijk vormt het de oorsprong van het dorp. Door reclame uitingen aan de gevel van panden langs de Sint Jorisstraat is hier in tegenstelling tot de rest van het gebied een rommelig beeld ontstaan. De dynamiek van de bebouwing is laag en bestaat eventueel uit kleine wijzigingen. Grootschalige vernieuwing komt nauwelijks voor en veranderingen blijven meestal beperkt tot hooguit de vervanging van een enkel pand. Het beleid is gericht op het inpassen van ontwikkelingen in de bestaande situatie. Bijzonder welstandsregime Voor het gebied rondom de Kerksingel geldt een bijzonder welstandsregime, dat is gericht op het behoud van het monumentale karakter van de bebouwing. Bij wijzigingen dient het dorpse karakter, het afwisselende beeld en de individualiteit behouden te blijven. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het historisch centrum zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging per erf of kavel is er één hoofdmassa gebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte de rooilijnen verspringen bij voorkeur enigszins ten opzichte van elkaar aan- en bijgebouwen liggen achter het hoofdgebouw Massa gebouwen zijn individueel en afwisselend gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm per erf of kavel is er één hoofdmassa in maat en schaal aangepast aan de omringende panden gebouwen zijn niet hoger dan twee lagen en voorzien van een kap de nok staat dwars op de weg of ligt daaraan parallel de hoeken van de gebouwen zijn gemetseld met penanten van tenminste 0,30 meter breed de gevel van de bovenbouw heeft een symmetrische opzet goothoogte en gevelbeëindigingen verschillen op- en aanbouwen zijn beperkt in maat en ondergeschikt de voet van de dakkapel staat op of vlak boven de goot of lijst geen erkers en andere uitbouwen aan de voorzijde van de panden Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig de detaillering is afgestemd op of sterk gerelateerd aan zijn omgeving gevels hebben een duidelijke geleding gevelopeningen zijn staand en onderverdeeld met stijlen en regels dakkapellen, lijsten en dergelijke zijn zelfstandige ondergeschikte elementen en in maatvoering en architectuur afgestemd op de hoofdmassa Materiaal- en kleurgebruik het kleurgebruik is terughoudend materialen zijn traditioneel gevels zijn overwegend uitgevoerd in rode danwel gele baksteen of voorzien van in witte tint gepleisterd stucwerk. daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren als crèmewit en donkergroen. Gebiedsbeschrijving Wanneer ringdijk zonder hoofdletter geschreven wordt, wordt hiermee de dijk als structurerend element door Oost-IJsselmonde bedoeld. Ringdijk geschreven met hoofdletter is de naam van het deel van de ringdijk tussen de kerkring en de Boelewerf in Bolnes. De bebouwing langs de ringdijk heeft voornamelijk een individueel karakter is nadruk-kelijk op de dijk georiënteerd. Hoewel er verschillen bestaan in massa en opbouw van de bebouwing, is de ligging aan de ringdijk het bindende principe. Aan de Westmolendijk en de Ringdijk tot de Rotterdamseweg bestaat de bebouwing uit min of meer aaneengeslo-ten dorpsachtige bebouwing. Ter hoogte van de kerkring heeft deze bebouwing door een klassieke opbouw en een fijnere detaillering een statiger uiterlijk. Langs de dijk ter hoogte van de kop van Slikkerveer, waar dijk en rivier elkaar bijna raken, staan nieuwere vrijstaande woningen waarbij meestal een erachterstaand bedrijfspand hoort. Op enkele plekken zijn doorzichten mogelijk naar achterliggende terreinen en de rivier. Langs de Middenmolendijk en de Oostmolendijk bestaat de bebouwing hoofdzakelijk uit vrijstaande traditionele dijkbebouwing. Langs het eerst genoemde deel van de ringdijk bestaat de bebouwing uit korte rijtjes traditionele dijkwoningen, afgewisseld met individuele panden. De rooilijn verspringt licht. De bebouwing langs de ringdijk na de Oranjestraat bestaat uit vrijstaande of geschakelde woningen die vrij op de kavel staan. De rooilijn van de individuele woningen verspringt. De opbouw van de panden bestaat uit een onderbouw van één of ten hoogste twee bouwlagen met zadeldak. Ook komen wolfseinden voor. De gevels zijn representatief met een traditionele opbouw. Doordat ramen aan de onder- en bovenzijde gelijk lopen, hebben de gevels een duidelijke geleding. Rooi- en noklijnen lopen meestal evenwijdig aan de dijk. De vrijstaande panden hebben een opbouw van twee lagen met kap. De hoofdmassa is samengesteld. Nokrichting staat haaks op de dijk. Door de staande ramen hebben de gevels een verticale geleding. De detaillering van de gebouwen is meestal eenvoudig maar zorgvuldig. Gevels van de traditionele dijkwoningen zijn meestal voorzien van eenvoudige versieringen als balkankers of siermetselwerk. Het houtwerk van de kozijnen, deuren, dakgoten en gevellijsten heeft een fijne detaillering. Ter hoogte van de Sint Jorisstraat staan enkele panden die door een duidelijke oriëntatie op de dijk, een klassieke gevelopbouw met een hogere begane grondlaag en rijke detaillering een statige uitstraling hebben. Ter hoogte van Slikkerveer hebben de panden en eenvoudiger detaillering, zonder versieringen. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel. De gevels zijn over het algemeen van rode baksteen of gele ijsselstenen soms in witte tint gestuct. Daken hebben in principe rode of donkere keramische pannen. Houten kozijnen, deuren en ramen zijn meestal geschilderd in traditionele kleuren als crèmewit en donkergroen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De afwisselende en soms kleinschalige bebouwing schept een samenhangend beeld. Het dijklint vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke structuur van Ridderkerk. Doordat het ontstaan en de eerste groei van Ridderkerk onder andere af te lezen is van de bebouwing langs de dijk heeft het gebied bijzondere cultuurhistorische waarde. De dynamiek van de lintbebouwing is gemiddeld en bestaat vooral uit kleine wijzigingen. Grootschalige vernieuwing komt nauwelijks voor blijft meestal beperkt tot hooguit de vervanging van één pand. Het beleid is gericht op het inpassen van ontwikkelingen in de bestaande situatie. Bijzonder welstandsregime Voor de lintbebouwing langs de ringdijk geldt een bijzonder welstandsregime. Bij wijzigingen dient het dorpse karakter, het afwisselende beeld en de individualiteit van de bestaande bebouwing behouden te blijven. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het bebouwingslint langs de ringdijk zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging hoofdbebouwing staat vooraan de kavel gebouwen zijn met de voorgevel gericht op de ringdijk de voorgevelrooilijn ligt parallel aan de ringdijk en verspringen enigszins ten opzichte van elkaar aan- en bijgebouwen liggen achter de hoofdmassa de panden langs de ringdijk in Slikkerveer zijn vrijstaand, doorzichten op het achterterrein en de rivier dienen behouden te blijven Massa de gebouwen zijn individueel en afwisselend bebouwing voegt zich in maat en schaal naar omliggende bebouwing panden hebben een opbouw van één tot twee lagen en zijn voorzien van een zadeldak de noklijn staat dwars of loopt parallel aan de ringdijk op- en aanbouwen zijn beperkt in maat en ondergeschikt aan de hoofdmassa langs de dijk in Slikkerveer is er per erf of kavel één hoofdmassa in maat en schaal aangepast aan de omringende panden bij aanpassingen aan vrijstaande gebouwen moet de hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar blijven Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is gevarieerd en zorgvuldig fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, belijning en siermetselwerk in het gevelvlak gevels zijn duidelijk geleed gevelopeningen zijn staand wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleurgebruik is terughoudend en traditioneel materialen zijn traditioneel gevels zijn overwegend gemetseld in rode en soms gele bakstenen, een enkele keer in lichte tint gestuct daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen traditioneel Hollandse houten deuren en kozijnen en profilering vormen het uitgangspunt Gebiedsbeschrijving De Lagendijk is een belangrijk historisch element die de historische verbinding vormt tussen de kerkring en het bebouwingslint langs de Rijksstraatweg in Rijsoord. Langs de Lagendijk staan dorpsachtige korte rijtjes aaneen gebouwde en vrijstaande woningen, aan de centrum zijde een enkele winkel en richting de snelweg enkele oudere bedrijfsgebouwen. Aan de noordzijde van de weg is de bebouwing veel minder dicht, het beeld wordt beheerst door grote monumentale boerderijen. Hierdoor is het beeld afwisselend, er komt zowel traditionele als nieuwe en grootschalige als kleinschalige bebouwing voor. Door het open karakter van het lint, de voor- en zijtuinen van de woningen en de monumentale begraafplaats heeft het lint een groen karakter. De bebouwing is veelal gevarieerd en vrijstaand, met rooilijnen die de weg volgen en soms verspringen. De panden zijn met de top of langsgevel gericht naar de weg. De boerderijen staan verder van de weg en hebben een vrijere oriëntatie. Rooilijnen volgen hier niet altijd de weg. De meeste panden hebben een eenvoudige hoofdvorm tot twee lagen hoog, afgedekt met een zadeldak. De nokrichting loopt evenwijdig aan of haaks op de weg. Enkele panden hebben een plat dak. De gevels hebben veelal grotere horizontaal gelijnde raampartijen op de begane grond en kleinere op de verdieping. Een enkele woning heeft een erker of een aanbouw aan de zijgevel. Panden zijn overwegend zorgvuldig gedetailleerd. Bij traditionele panden komen onder andere fijn gedetailleerde dakgoten, gootklossen en windveren voor. Bij monumentale boerderijen komen veel rijke details als omlijstingen om de grote ramen en een windveer langs de dakrand of een gemetselde gevelbeëindiging voor. De woningen en bedrijfsgebouwen aan het einde van Lagendijk hebben veelal een sobere detaillering. Het materiaal- en kleurgebruik is in het algemeen traditioneel en terughoudend. De meeste gevels zijn van baksteen, een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte tint. Sommige panden hebben een plint van een ander materiaal en/of andere kleur. Kozijnen zijn in het algemeen van hout, geschilderd in traditionele kleuren. De hellende daken zijn afgedekt met donkere of rode pannen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De Lagendijk is een belangrijke historische structuur in Ridderkerk. De lintbebouwing heeft een gevarieerde structuur met vrijstaande woningen en boerderijen. Schaalvergroting langs het lint is een aantasting van de beeldkwaliteit evenals een afwijkende oriëntatie en een versobering van de architectonische uitwerking. De dynamiek in dit gebied is gemiddeld en betreft vooral kleine wijzigingen of hooguit het vervangen van een pand. Het beleid is gericht op behoud en versterking van het karakter, individualiteit en afwisseling vormen het uitgangspunt waarbinnen nieuwbouw en wijzigingen moeten passen. Bijzonder welstandsregime Voor de lintbebouwing langs de Lagendijk geldt een bijzonder welstandsregime. Bij wijzigingen dient het dorpse karakter, het afwisselende beeld en de individualiteit van de bestaande bebouwing behouden te blijven. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in langs de Lagendijk zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging het dorpse karakter van de lintbebouwing in principe behouden en versterken per erf of kavel is er één hoofdmassa schaalvergroting door bijvoorbeeld samenvoeging of grote aanbouwen is ongewenst gebouwen zijn met de voorgevel gericht naar de weg de voorgevelrooilijnen volgen de weg en verspringen ten opzichte van elkaar Massa de hoofdmassa en gevelopbouw harmoniëren met het dorpse karakter van het gebied bebouwing voegt zich in maat en schaal naar omliggende bebouwing de hoofdmassa’s zijn in principe individueel en afwisselend gebouwen hebben eenvoudige hoofdvorm gebouwen bestaan uit een opbouw van één tot twee lagen met hellende kap of plat dak de nokrichting van het hellende dak staat dwars op de weg of ligt daaraan parallel op- en aanbouwen zijn ondergeschikt Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, belijning en baksteenpatronen in het gevelvlak de hoofdmassa’s zijn duidelijk geleed wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume bijgebouwen zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt Materiaal- en kleurgebruik materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel gevels zijn in hoofdzaak van rode of gele baksteen hellende daken zijn gedekt met rode of donkere pannen het houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren traditioneel Hollandse houten deuren en kozijnen en profilering vormen het uitgangspunt Gebiedsbeschrijving De arbeiderswoningen langs de Kerkweg in Ridderkerk en de Kievitsweg in Slikkerveer vormden voor de Tweede Wereldoorlog de eerste uitbreidingen buiten de tot dan toe bestaande structuren van de kernen. De Kerkweg en de Kievitsweg lopen vanaf de ringdijk als rechte lijnen het voormalige kleinschalige polderlandschap in. De woningen langs beide wegen werden gebouwd tussen circa 1910 en 1930. Door de groeiende scheepsindustrie nam de bevolking van de twee dorpen snel toe. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit samenhangende korte rijtjes, twee-onder-één-kap woningen en een enkele vrijstaande woning. Op enkele plekken in het lint komen kleinschalige bedrijfjes voor. De rijwoningen hebben en rechte rooilijn en zijn gericht op de weg. Ze staan direct aan de straat of hebben kleine soms geheel verharde voortuinen. Overgang tussen de tuinen en de stoep is veelal zorgvuldig vormgegeven. Herhaling van de woning is uitgangspunt. De woningen hebben een eenvoudige opbouw bestaande uit één laag met een kap. De woningen zijn veelal voorzien van een zadeldak of mansardekap. De nokrichting loopt evenwijdig aan de straat. Binnen de rijen zijn er weinig accenten. Hoekwoningen zijn op een raam in de zijgevel na voor het merendeel gelijk aan de tussenwoningen. Dakkapellen komen veel voor. Aan de voorzijde zijn ze per rij meestal van hetzelfde model. De dakkapellen staan onderin het dakvlak en bijna altijd met de onderdorpel in de goot. Een enkele keer steken ze door de goot heen en zijn ze doorgetrokken in de voorgevel. Aan de achterzijde zijn de dakkapellen veelal individueel in plaatsing, maat, detaillering, materiaal en kleur. Aanbouwen en bijgebouwen komen veel voor. Deze zijn in het algemeen achter de voorgevelrooilijn geplaatst en niet overal per rij van hetzelfde model. Door individuele verbouwingen en individueel kleurgebruik is de samenhang deels verloren gegaan. De detaillering is zorgvuldig en eenvoudig. Gevelopeningen hebben gemetselde lateien. Hoge gemetselde schoorstenen vormen bij enkele rijen een accent. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel. De gevels zijn gemetseld in roodbruine of bruine baksteen. De daken zijn gedekt met oranje of donker grijze pannen. Kozijnen zijn in het algemeen van hout en net als ander houtwerk geschilderd in traditionele kleuren. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De linten met arbeiderswoningen hebben voor Ridderkerk een bijzondere cultuurhistorische waarde. De bebouwing vormt de eerste van een lange reeks uitbreidingen die buiten de negentiende eeuwse structuur van het dorp tot stand zijn gekomen. Hoewel het afzonderlijke beeld door particuliere verbouwingen op enkele plaatsen is aangetast, is de samenhang tussen de woningen nog grotendeels in tact. De dynamiek in deze gebieden is gemiddeld en betreft veelal kleine wijzigingen en uitbreidingen van de woning. Behoud en versterking van de samenhang van de panden en het kleinschalige dorpse karakter vormt het uitgangspunt voor het beleid. Bijzonder welstandsregime Voor de linten met arbeiderswoningen langs de Kerkweg en de Kievitsweg geldt een bijzonder welstandsregime. De beoordeling is gericht op behoud van een samenhangend beeld, de herhaling van de woning met accenten bij een stedenbouwkundige aanleiding, de gedifferentieerde opbouw met nadrukkelijke kap, zorgvuldige detaillering en het gebruik van traditionele materialen en kleuren. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen langs de Kerkweg en Kievitsweg zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging het dorpse karakter van het gebied behouden gebouwen zijn met de voorgevel gericht naar de weg bebouwing staat vooraan op de kavel de individuele woning binnen een rij is deel van het geheel de rooilijn volgt de weg en verspringt niet bestaande rooilijnen aan voorzijde van rijen behouden Massa de rijwoningen kennen een sterke onderlinge samenhang de woningen bestaan uit een onderbouw van één laag met een kap woningen hebben meestal een zadeldak of een mansardekap op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element op-, aan- en uitbouwen zijn bij voorkeur per rij van hetzelfde model aantasting van dakvlakken door grote dakkapellen, dakramen en dakopbouwen voorkomen geen uitbouwen als erkers aan de voorzijde Architectonische uitwerking ontwerpaandacht voor alle details de detaillering is per rij in samenhang bij rijwoningen in de uitvoering de herhaling benadrukken wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op de rij overgang tussen privé en openbaar terrein is zorgvuldig vormgegeven Materiaal- en kleurgebruik het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel het materiaal- en kleurgebruik is per rij in samenhang gevels zijn van bruine of roodbruine baksteen daken zijn gedekt met oranje of donker grijze dakpannen kozijnen zijn bij voorkeur van hout Gebiedsbeschrijving De lintbebouwing door Rijsoord en Oostendam heeft voornamelijk een individueel karakter en is nadrukkelijk op de weg georiënteerd. Het zwaartepunt van de bebouwing in Rijsoord ligt langs de Rijksstraatweg bij de brug over de Waal. Het lint loopt vanaf hier verder richting de afslag van de A15 bij het bedrijventerrein Veren Ambacht, langs de Lagendijk, de Mauritsweg en de Noldijk. Het lint langs de Pruimendijk is minder dicht en loopt vanuit de dorpskern van Oostendam over de noordoever van de Waal richting Rijsoord. De lintbebouwing staat hoofdzakelijk tussen de weg en de Waal. De bebouwing bestaat uit min of meer aaneengesloten dorpsachtige panden. Korte rijtjes worden hier en daar afgewisseld door vrijstaande panden. Doordat de bebouwing over het algemeen direct aan de weg is gelegen, is er een kleinschalig en op enkele plekken smal profiel ontstaan. Tussen de panden door zijn er soms doorzichten mogelijk op achter liggende terreinen, het open landschap of de Waal. Tussen de traditionele bebouwing komt op vrij veel plekken nieuwbouw voor in de vorm van seriematige vrijstaande of geschakelde woningen en grote moderne villa’s. De grote villa’s liggen over het algemeen terug van de weg achter de traditionele bebouwing. De opbouw van de traditionele panden bestaat over het algemeen uit een onderbouw van één of ten hoogste twee bouwlagen met een kap. Er komen verschillende kapvormen voor zoals een zadeldak, mansardekap of samengestelde dakvlakken. Ook komen wolfseinden voor. De gevels zijn representatief en hebben een traditionele opbouw. Gevels hebben een duidelijke geleding. Bij rijtjes, geschakelde woningen en traditionele dijkwoningen lopen rooi- en noklijnen meestal evenwijdig aan de weg. De vrijstaande panden hebben een opbouw tot twee lagen met een kap, waarvan de nokrichting haaks op de weg staat. Grotere villa’s bestaan veelal uit samengestelde volumes en hebben verschillende kapvormen of een plat dak. De detaillering van de traditionele panden is meestal eenvoudig maar zorgvuldig. Gevels van de traditionele dijkwoningen zijn meestal voorzien van eenvoudige versieringen als balkankers of siermetselwerk. Het houtwerk van de kozijnen, deuren, dakgoten en gevellijsten heeft vaak een fijne detaillering. Bij nieuwbouw en grote villa’s is de detaillering over het algemeen eenvoudiger en seriematig van aard en heeft soms een uitgesproken modern karakter. Het kleur- en materiaalgebruik is terughoudend en traditioneel. De gevels zijn in het algemeen van rode baksteen of in witte tint gestuct. Daken hebben in principe rode of donkere keramische pannen. Houten Hollands geprofileerde kozijnen vormen het uitgangspunt. Houtwerk is meestal geschilderd in traditionele kleuren als crèmewit en donkergroen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De afwisselende en veelal kleinschalige bebouwing schept samen met de ligging en duidelijke oriëntatie op de weg een samenhangend beeld. Het lint vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke structuur van de regio. Langs de Rijksstraatweg is het samenhangende beeld echter aangetast door de bouw van grote moderne villa’s. De dynamiek van de lintbebouwing is gemiddeld en bestaat vooral uit kleine wijzigingen. Grootschalige vernieuwing komt nauwelijks voor en blijf meestal beperkt tot hooguit de vervanging van één pand. Het beleid is vooral gericht op het inpassen van ontwikkelingen in de bestaande situatie. Bijzonder welstandsregime Voor de lintbebouwing langs de Noldijk, Rijksstraatweg, Waaldijk, Pruimendijk en de Mauritsweg geldt een bijzonder welstandsregime. Bij wijzigingen dient het kleinschalige karakter, het afwisselende beeld met doorzichten en de individualiteit van de bestaande bebouwing behouden te blijven. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het lint door Oostendam en Rijsoord zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging het dorpse karakter van de lintbebouwing in principe behouden en versterken bebouwing is met de voorgevel gericht op de weg voorgevelrooilijnen volgen de weg en verspringen enigszins ten opzichte van elkaar aan- en bijgebouwen liggen achter de hoofdmassa doorzichten naar achterterreinen, landschap of de Waal waar mogelijk behouden of versterken Massa gebouwen zijn individueel en afwisselend per erf of kavel is er één hoofdmassa hoofdmassa en gevelopbouw harmoniëren met het dorpse karakter van het lint gebouwen hebben een onderbouw van één tot twee lagen met een hellende kap noklijn staat dwars of loopt parallel aan de weg op- en aanbouwen zijn beperkt in maat en ondergeschikt aan de hoofdmassa bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd detaillering is zorgvuldig en eenvoudig fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, balkankers en of siermetselwerk in de gevels gevels hebben een verticale geleding daken hebben een houten overstek of een gemetselde beëindiging wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwijkingen afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel en terughoudend gevels zijn in rode baksteen gemetseld of een enkele keer voorzien van een in witte tint gepleisterde stuclaag hellende daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt Gebiedsbeschrijving Oostendam is ontstaan rond de uitwaterende sluis in de ringdijk op de plek waar door de ringdijk de Waal werd afgesloten van de Noord. Het deel van het dorp ten noorden van de Waal langs het Havenhoofd, de Damstraat en de Damweg behoort tot de gemeente Ridderkerk. De overig bebouwing behoort tot de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Ondanks de individualiteit van de bebouwing biedt de openbare ruimte van de kern overeenkomst in maat en schaal van de bebouwing over het algemeen een samenhangend beeld. De belangrijkste openbare ruimte wordt gevormd door het pleintje op de dam in de Waal. Hieraan staan een aantal monumentale panden die samen met enkele woningen en boerderijen de kern vormen van Oostendam. Aan de voorzijde van de gebouwen is geen sprake van privégebied. De stoep vormt de enige scheiding tussen de weg of het plein en de gevels van de panden sluiten hier direct op aan. De dorpsbebouwing is individueel en deels aaneen gebouwd met kleine rooilijnverspringingen. De bebouwing staat voor op de kavel en is georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimte. De panden zijn opgebouwd uit een onderbouw van één of twee lagen met verschillende al dan niet samengestelde kapvormen. De gevels wisselen van eenvoudig tot representatief en hebben een traditionele opbouw met een hoge begane grondlaag, een duidelijke verticale geleding en soms een topgevel. Winkels of bedrijven hebben veelal een afwijkende begane grondgevel. Luifels, zonwering en etalages zorgen dan voor een duidelijke horizontale scheiding tussen plint en bovenbouw van de gevel. Dakkapellen zijn in maat en schaal bescheiden vormgegeven en aangepast aan de architectuur van het pand. Zij staan met hun voet vlak boven of op de goot of daklijst en op enige afstand van de rand van het dakvlak. Bijgebouwen staan achter het hoofdgebouw en zijn hier ondergeschikt aan. De detaillering van de panden varieert van eenvoudig tot zorgvuldig en rijk. Dit komt vaak tot uiting in fijn uitgewerkte balkankers of siermetselwerk in de gevels. Ook het houtwerk van kozijnen, deuren, dakgoten en gevellijsten heeft van oudsher een fijne detaillering. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel. De gevels zijn van gele of rode baksteen of voorzien van een in witte tint gepleisterde stuclaag. Daken zijn gedekt met rode of gesmoorde keramische pannen. De houten kozijnen, deuren en ramen zijn meestal geschilderd in traditionele kleuren als crèmewit en donkergroen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De dynamiek in de kern van Oostendam is gemiddeld en bestaat vooral uit kleine aanpassingen. Grootschalige vernieuwing komt nauwelijks voor. Het beleid is erop gericht het kleinschalige en dorpse karakter van de kern te behouden. Vernieuwing moet zich voegen naar de maat en schaal van het bestaande beeld. Bijzonder welstandsregime Voor de dorpskern van Oostendam geldt een bijzonder welstandsregime. Bij wijzigingen zal beoordeeld worden op individualiteit van de panden binnen het samenhangende beeld van de kern, zorgvuldige detaillering en het gebruik van traditionele materialen en kleuren. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in de dorpskern zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging behouden en versterken dorpse karakter van het gebied bebouwing is gericht op de belangrijkste openbare ruimte hoofdmassa’s zijn in principe aaneengesloten rooilijnen verspringen enigszins ten opzichte van elkaar Massa gebouwen zijn individueel en afwisselend bebouwing voegt zich in maat en schaal naar omliggende bebouwing per erf of kavel is er één hoofdmassa bouwmassa’s en gevelopbouw harmoniëren met het dorpse karakter van het gebied gebouwen hebben een onderbouw van één tot twee lagen met een hellende kap aan-, op- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, balkankers en of siermetselwerk in de gevels gevels hebben een verticale geleding daken hebben een houten overstek of een gemetselde beëindiging dakkapellen, lijsten en dergelijke zijn zelfstandige ondergeschikte elementen en in maatvoering en architectuur afgestemd op de hoofdmassa Materiaal- en kleurgebruik materiaalgebruik is traditioneel gevels zijn in rode of gele baksteen gemetseld of een enkele keer voorzien van een in witte tint gepleisterde stuclaag hellende daken zijn gedekt met rode of gesmoorde keramische pannen traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt het kleurgebruik is traditioneel en terughoudend Gebiedsbeschrijving Moderne winkelcentra komen voor als uitbreiding van historische centra of als nieuw voorzieningencentrum. Deze multifunctionele complexen worden gekenmerkt door grootschalige geclusterde bebouwing die naast winkels ook woningen en kantoren kunnen bevatten. De centra zijn duidelijk te herkennen als aparte stedenbouwkundige eenheden binnen de stedelijke structuur. De panden worden ontsloten door overzichtelijk en soms overdekte of halfoverdekte winkelroutes. In de vormgeving van de openbare ruimte en de winkelpanden is geprobeerd een samenhangend beeld te scheppen. Dit wordt versterkt door architectonische accenten op bijzondere plekken in de route, als ingangen en kruispunten. Ook door middel van luifels aan de gevels wordt een samenhangend beeld gecreëerd. Rondom zijn deze complexen omgeven door parkeerterreinen, ook de laad- en losterreinen liggen vaak in het zicht. De bebouwing van deze complexen bestaat uit een aantal grotere gebouwen. Intern zijn deze gebouwen onderverdeeld in afzonderlijke winkelruimten of kantoren. De oriëntatie van de geclusterde gebouwen is hoofdzakelijk naar binnen gericht. Alleen op bijzondere punten, bijvoorbeeld bij ingangen of zichtlijnen op de omgeving, wordt deze oriëntatie doorbroken. Het grootschalige karakter wordt versterkt door de strakke rooilijnen en noklijnen, hoewel de bijzondere plekken ook hier aanleiding zijn dit te doorbreken. De opbouw van de gevels is eenvoudig en bestaat meestal uit drie tot vier bouwlagen. Hoewel accenten in de massa hoger kunnen zijn. De eerste laag bevat winkels en kantoorruimten, in de volgende lagen zijn de woningen ondergebracht. De detaillering van de bebouwing is eenvoudig en seriematig maar zorgvuldig van aard. Het moderne karakter van de bebouwing komt tot uiting in het materiaal- en kleurgebruik. De gevels zijn hoofdzakelijk opgebouwd uit baksteen, hoewel ook materialen als staal of kunststof worden toegepast. Het kleurgebruik is over het algemeen terughoudend, maar architectonische accenten komen ook in fellere kleuren tot uiting. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De dynamiek van deze moderne winkelcentra is gemiddeld. Veranderingen vinden pandsgewijs plaats, maar uitbreiding gebeurt veelal door het toevoegen van een geheel nieuw cluster en kan dus vrij ingrijpend zijn in het bestaande beeld. Aanvullend beleid Voor het gebied rond het Koningsplein geldt het Beeldkwaliteitsplan Centrum. Het beeldkwaliteitsplan geeft nadere randvoorwaarden voor de herinrichting van dit deel van het centrum van Ridderkerk. Deze hebben betrekking op het gewenste beeld, openbare ruimte en architectuur. Hierbij wordt veel gebruik gemaakt van referentiebeelden. Dit beeldkwaliteitsplan wordt gebruikt als referentie en uitgangspunt voor de ontwikkeling van het nieuwe deel van het centrum. Regulier welstandsregime Voor de moderne winkelcentra geldt een regulier welstandsregime. Wijzigingen en inpassingen zullen beoordeeld worden op het behoud van samenhang tussen de geclusterde bebouwing en de openbare ruimte, eenvoudige detaillering, modern materiaalgebruik en terughoudend kleurgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het moderne winkelcentrum zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging bebouwing en openbare ruimte vormen een samenhangend geheel gebouwen zijn gegroepeerd in zelfstandige naar binnen gerichte clusters rooilijnen van de hoofdmassa’s volgen de weg en verspringen ten opzichte van elkaar nieuwbouw afstemmen op centrum functie van het gebied Massa hoofdmassa’s zijn individueel en vrijstaand individuele pand maakt deel uit van het geheel bouwmassa’s zijn gevarieerd in opbouw entreepartijen zijn vormgegeven als accenten of zelfstandige volumes zo min mogelijk dichte gevels aan de straat Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is eenvoudig en seriematig maar zorgvuldig hoofdmassa is duidelijk geleed een blok of rij heeft en doorlopende gevelritmiek entreepartijen hebben een bijzondere ontwerpaandacht accenten en geleding ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleurgebruik is in samenhang en bij voorkeur terughoudend gevels zijn bij voorkeur van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen grote gevelvlakken kunnen worden ingevuld met elementen zoals gevouwen staalplaat aan- en uitbouwen in kleur en materiaal afstemmen op het hoofdgebouw Gebiedsbeschrijving De bebouwingsstructuur is gebaseerd op herhaling van de woning als basiseenheid, waarbij verbijzonderingen in de openbare ruimte soms worden vertaald in accenten in de massa en vormgeving van hoeken en kappen. De bebouwing kan uit zowel vrijstaande, twee onder één kap woningen als korte rijtjes bestaan, die samenhangende clusters vormen. De wijken uit deze periode hebben ondanks smalle straten een groen karakter door voortuinen en soms door de in de stedenbouwkundige structuur opgenomen groenvoorzieningen als gazons, parkjes en vijvers. Verspreid door de gebieden en vooral langs de randen kunnen kleinschalige bedrijvigheid voorkomen. De bebouwing vormt samenhangende clusters. De panden zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte. De rooilijn is per cluster in samenhang. Bij stedebouwkundige aanleidingen komen soms verschillen in hoogte van de massa, nokverdraaiingen en rooilijnverspringingen voor. De woningen zijn één tot twee lagen hoog met een nadrukkelijke kap. Met name grotere woningen en hoekwoningen hebben een gedifferentieerde opbouw met erkers, balkon, uitbouwen en serres. Opbouw en gevels hebben een horizontale geleding met verticale accenten. De overgang tussen privé en openbaar gebied is in het algemeen zorgvuldig vormgegeven door middel van bijvoorbeeld portieken, luifels en tuinmuurtjes. De voorgevel is representatief en de overige in het zicht staande gevels ook. De detaillering is zorgvuldig, uitgewerkt tot op het kleinste niveau en per cluster in samenhang. De rand van het dak is benadrukt door een uitkragende dakgoot. Grotere dakoverstekken zijn uitgetimmerd. Raamvlakken zijn veelal onderverdeeld met stijl en regels en soms roeden. Door individuele wijziging is het samenhangende beeld soms aangetast. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel en per cluster in samenhang. Gevels zijn grotendeels van baksteen met accenten en soms gestuct in lichte tinten. Hellende daken zijn in het algemeen gedekt met keramische pannen veelal in de kleur oranje. Kozijnen zijn van hout en in lichte tint geschilderd. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De stedebouwkundige opzet in samenhang met de zorgvuldig vormgegeven woningen levert een pittoresk beeld op. De groene voortuinen en de hier en daar in de structuur opgenomen groenvoorzieningen versterken dit beeld. De woningen hebben een gedifferentieerde opbouw met veelal nadrukkelijke kappen. Veel van deze woningen zijn in bezit van woningbouwverenigingen waardoor individuele wijzigingen beperkt zijn. De dynamiek in dit gebied is gemiddeld. Kleine wijzigingen kunnen een grote invloed hebben op het samenhangende beeld en moeten zorgvuldig worden ingepast. Regulier welstandsregime Voor de vooroorlogse woningbouw geldt een regulier welstandsregime. De beoordeling is gericht op behoud van een samenhangend beeld, de herhaling van de woning met accenten bij een stedebouwkundige aanleiding, de gedifferentieerde opbouw met nadrukkelijke kap, zorgvuldige detaillering en het gebruik van traditionele materialen en kleuren. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in woongebieden uit de jaren ‘20 en ‘30 zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon gebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte de nokrichting is in hoofdzaak evenwijdig aan de weg, een haakse richting komt voor als accent accenten en verspringingen in de rooilijn hebben een stedenbouwkundige aanleiding de individuele woning maakt deel uit van de compositie van het cluster Massa bouwmassa's zijn gedifferentieerd en gevarieerd gebouwen hebben representatieve voor- en zijgevels woningen hebben per cluster een sterke onderlinge samenhang woningen bestaan uit een onderbouw met één tot twee bouwlagen en een nadrukkelijke kap woningen hebben een zadeldak of mansardekap accenten in hoogte en vormgeving hebben een stedebouwkundige aanleiding op- en aanbouwen zijn van hetzelfde model, materiaal en kleur in samenhang met de compositie van het woningblok aantasting van dakvlakken door grote dakkapellen, dakramen en dakopbouwen voorkomen bijgebouwen zijn ondergeschikt Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd de detaillering is per cluster in samenhang gevels hebben een horizontale geleding met verticale accenten traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt de overgang tussen privé en openbaar is zorgvuldig vormgegeven de oorspronkelijke erfafscheiding als gemetselde muurtjes, hekwerken en hagen zoveel mogelijk behouden Materiaal- en kleurgebruik het materiaal- en kleurgebruik is per cluster in samenhang gevels zijn in hoofdzaak van oranje of bruinachtige baksteen met hier en daar stuc- en siermetselwerkaccenten hellende daken van de woningen zijn voorzien van rode of oranje keramische dakpannen kozijnen en deuren zijn uitgevoerd in hout het kleurgebruik is traditioneel en afgestemd op de omringende bebouwing Gebiedsbeschrijving De woningbouw in woonwijken uit de jaren ‘50 - ‘60 wordt gekenmerkt door architectonische en stedenbouwkundige herhaling van rijen of blokken. Deze zorgen voor samenhangende composities die als zelfstandige eenheden in de ruimtelijke structuur van de kern liggen. Op enkele plekken komen vrijstaande woningen voor die door hun massa, opbouw en vorm een individuele uitstraling hebben. Naast woningen komen ook enkele geclusterde voorzieningen voor. Soms zijn deze ondergebracht in de begane grond laag van een blok gestapelde woningen en soms in een eigen gebouw dat een eigen compositie vormt in de structuur. Samen met groenstructuren in de wijk geven ruime voor- en achtertuinen van de woningen de wijk een groen karakter. Verspreid door de gebieden en vooral langs de randen kan kleinschalige bedrijvigheid voorkomen. De voorgevels zijn georiënteerd op de straat. De rechte rooi- en noklijnen zorgen per rij voor een samenhangend beeld en lopen evenwijdig met de straat. De woningen hebben een eenvoudige opbouw van twee lagen met een kap, meestal een zadeldak en soms een plat dak. Portiekflats hebben een gevelopbouw tot vier lagen met een flauw hellend zadeldak of plat dak. De noklijnen lopen overwegend evenwijdig aan de weg. Binnen de rijen zijn weinig accenten aangebracht. Herhaling in de gevelindeling, balkons en schoorstenen geven ritme aan het straatbeeld. Hoekwoningen zijn op een raam of deur in de zijgevel na grotendeels gelijk aan tussenwoningen. Hier en daar zijn dakvlakken voorzien van veelal individuele dakkapellen of dakramen. Met name enkele oudere rijen woningen hebben een erker in dezelfde stijl als het hoofdgebouw. De materialisering en detaillering is meestal eenvoudig en seriematig. Siermetselwerk en gootklossen als gevelaccenten komen voor. De gemetselde gevels zijn meestal voorzien van houten of kunststof puien, die een groot deel van de gevels beslaan en meestal net onder de dakgoot eindigen. De rand van de kap wordt meestal benadrukt door een uitkragende dakgoot. Daken zijn meestal voorzien van rode of donkere keramische pannen. Het kleurgebruik is terughoudend en meestal samenhangend per rij of blok. Oudere woningen zijn soms voorzien van bescheiden ornamenten als versierde dak-, deur- en raamlijsten. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De naoorlogse uitbreidingswijk uit de jaren ‘50 - ‘60 kenmerkt zich door zijn ruime opzet, met veel openbaar groen en herhaling van de woning als basiseenheid. In het algemeen hebben deze wijken geen bijzondere cultuurhistorische waarde. De dynamiek van deze woongebieden is gemiddeld en betreft veelal kleine wijzigingen als dakkapellen en uitbouwen. Voor hoekwoningen worden over het algemeen meer plannen ingediend, hier is de dynamiek dus hoger. Aanpassingen moeten worden ingepast in de op herhaling gebaseerde architectuur van de woningen. Bij mogelijke herstructurering kan de dynamiek door het per blok of rij vervangen van kozijnen of gehele panden hoog zijn. Het welstandsbeleid ten aanzien van deze woonwijken is terughoudend en gericht op het beheer van de bebouwing. Regulier welstandsregime Voor woongebieden uit de jaren ‘50 en ‘60 geldt een regulier welstandsregime. Bij wijzigingen zal het bouwplan beoordeeld worden op een evenwichtig en op herhaling gebaseerd gevelbeeld, de strakke rooilijnen, eenvoudige detailleringen en samenhang in het kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in woongebieden uit de jaren ‘50 en ‘60 zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon gebouw zijn met hun voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte de individuele woning binnen een rij is een deel van het geheel strakke rooilijnen aan de voorzijde behouden Massa blokken, rijen en gestapelde woningen kennen een sterke onderlinge samenhang alleen vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling woonhuizen bestaan uit een onderbouw van twee lagen met bij voorkeur een zadeldak gestapelde woningen kunnen een onderbouw tot vier lagen hebben met een licht hellend zadeldak of plat dak op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa op- en aanbouwen zijn bij voorkeur per woningtype van hetzelfde model bijzondere functies als voorzieningenclusters mogen afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw en vorm Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is eenvoudig en seriematig ontwerpaandacht voor alle details bij rijtjeswoningen in de uitvoering de herhaling benadrukken wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleur- en materiaalgebruik is per rij, blok of cluster in samenhang gevels zijn in hoofdzaak van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen, soms geschilderd of in lichte tint gestuct gevels zijn veelal voorzien van houten of kunststof puien plaatmateriaal alleen gebruiken als invulling van een kozijn of hekwerk hellende daken van woningen zijn voorzien van rode of donkere keramische pannen het kleurgebruik is terughoudend Gebiedsbeschrijving In deze planmatig opgezette woongebieden zijn de woningen gegroepeerd in clusters of rijen, waarbinnen hetzelfde woningtype telkens herhaald wordt. Een verzameling clusters of rijen vormt een woonerf, dat ontsloten wordt door een meanderend straten patroon dat gedeeltelijk autovrij kan zijn. Een ringstructuur verzorgt meestal de hoofdontsluiting van de wijk. Door het voorkomen van veel kleine groenelementen heeft een woonwijk uit deze periode over het algemeen een groen en kleinschalig uiterlijk. Centraal in de wijk komt meestal een bescheiden wijkcentrum voor. Ook komen, meestal langs de rand van de wijk vrijstaande woningen voor met een individueel karakter. Binnen de structuur van Ridderkerk vormen deze woongebieden vaak een besloten ruimtelijke eenheid. Binnen een erf komt over het algemeen één woningtype voor. Door een wisselende oriëntatie van de geschakelde woningen ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte ontstaat er een gedifferentieerd beeld, hoewel de hoofdoriëntatie van de meeste woningen gericht is op het centrale deel van het woonerf. Binnen dit gedifferentieerde beeld verspringen de rooi- en noklijnen. De opbouw van de woningen wisselt van eenvoudig tot gedifferentieerd, maar bestaat over het algemeen uit één tot twee lagen met een zadeldak. De hellingshoeken van de kap kunnen wisselen. De goot- en nokrichtingen van de kappen zijn afwisselend en vaak zijn de dakvlakken voorzien dakkapellen en dakramen. Verlengde daken, op- en aanbouwen komen vaak voor. Hellende daken zijn gedekt met dakpannen. De woningen zijn meestal gebouwd uit baksteen, waarbij een groot deel van de gevel ingevuld kan zijn met rabatdelen en puien van hout of kunststof. De detaillering van de woningen is meestal eenvoudig, met weinig accenten en seriematig van aard. De houten kozijnen, deuren en daklijsten zijn in overwegend terughoudende kleuren geschilderd en in samenhang, hoewel deze samenhang per rij of cluster wel eens verloren is gegaan. Het wijkcentrum heeft een afwijkende opbouw. Het zijn veelal samengestelde eenvoudige volumes tot drie bouwlagen met een plat of hellend dak. De detaillering is meestal sober. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Woonwijken uit de jaren ‘70 en ‘80 zijn planmatig opgezet, waarin de woningen gegroepeerd zijn in rijen of clusters langs meanderende straten of woonerven. Binnen de structuur van Ridderkerk hebben deze wijken geen bijzondere cultuurhistorische waarde. De dynamiek in deze woongebieden is gemiddeld. Wijzigingen betreffen veelal het plaatsen van een dakkapel of een aan- en uitbouw. Door de afwisseling in de ligging van de woningen en de gedifferentieerde opbouw hebben deze wijzigingen over het algemeen weinig invloed op het beeld. Individuele wijzigingen moeten echter ingepast worden in de op herhaling gebaseerde architectuur. Regulier welstandsregime Voor deze woongebieden geldt een regulier welstandsregime. Het beleid is terughoudend en gericht op beheer. Bij wijzigingen zal worden beoordeeld op herhaling van woningtypen, eenvoudige detaillering en samenhangend kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in woongebieden uit de jaren ‘70 en ‘80 zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon de individuele woning binnen een rij of cluster is deel van het geheel en voegt zich hiernaar overige gebouwen kunnen vrij op de kavel staan hoofdmassa’s zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte rooilijnen zijn per rij of cluster in samenhang plaatsing van bijgebouwen en op-, aan- en uitbouwen zijn bij voorkeur per rij of cluster in samenhang Massa woningen hebben een eenvoudige tot gedifferentieerde opbouw rijen, clusters en gestapelde woningen kennen een sterke onderlinge samenhang alleen vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling woningen hebben in principe een onderbouw tot twee lagen met een zadeldak de nokrichting is per rij of cluster in samenhang op-, aan- en uitbouwen zijn bij voorkeur per rij of cluster van hetzelfde model bijzondere functies zoals voorzieningen mogen afwijken van gebruikelijke massa, opbouw en vorm Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is eenvoudig en seriematig herhaling in rij of cluster is leidraad voor het woningontwerp wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op de architectuur van het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleur- en materiaalgebruik is per rij of cluster in samenhang gevels bestaan in principe uit baksteen, eventueel ingevuld met puien of bekleed met houten rabatdelen of panelen hellende daken zijn bij voorkeur voorzien van dakpannen het kleurgebruik is terughoudend het kleur- en materiaalgebruik van op-, aan- en uitbouwen is aangepast aan het hoofdgebouw Gebiedsbeschrijving Woonwijken uit de jaren ‘90 - ‘05 hebben een heldere structuur en gevarieerde woningen die per rij of cluster worden herhaald. De wijk heeft een open karakter. Langs straten staan bomen en tussen stoep en parkeerplaatsen zijn groenstroken aangelegd. In de wijken zijn grote groenelementen aangelegd als waterlopen, parken en gazons. De vaak ruime tuinen zorgen mede voor een groen karakter in de wijk. De architectuur van de woningen is gebaseerd op herhaling in clusters of rijen met behoud van de individualiteit. Mede door variatie tussen rijen en clusters is het beeld afwisselend. Clusters hebben veelal hun eigen sfeer. Vaak liggen op centrale plekken in de wijk voorzieningen zoals bijvoorbeeld winkels en scholen. Appartementengebouwen vormen accenten in de wijken of benadrukken de randen ervan. De woningen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte. Per cluster is de rooilijn in samenhang en verspringt niet. De overgang tussen openbaar en privé is vaak zorgvuldig vormgegeven door luifels, lage tuinmuurtjes of een heg. Appartementengebouwen staan in het algemeen vrij op de kavel. De woningen zijn seriematig gebouwd. De architectuur is gebaseerd op herhaling en een afwisselend beeld. De opbouw is veelal gevarieerd en gedifferentieerd. De massa is veelal samengesteld uit rechthoekige volumes. De woningen hebben meestal een onderbouw van twee lagen met een zadeldak, lessenaarskap of plat dak. Sommige woningen hebben een terugliggende tweede laag of kap. Hoeken van rijen zijn vaak verbijzonderd met uitbouwen of hebben een extra laag. Het gevelbeeld is gevarieerd. Gevels hebben veelal accenten en een duidelijke horizontale of verticale geleding. Appartementengebouwen hebben in het algemeen een torenachtig volume waarvan de hoogte kan variëren. De architectuur van de woningen is verzorgd. De detaillering is zorgvuldig en eenvoudig. Accenten als uitstekende dakranden, luifels en structuur in het materiaal komen veel voor. Het materiaal- en kleurgebruik is samenhangend. Gevels zijn van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen, soms met houten delen of plaatmateriaal. Het metselwerk heeft vaak vlakken of banen van afwijkende kleur. Hellende daken zijn gedekt met pannen. Kozijnen zijn van hout of kunststof. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De recente woonwijken zijn planmatig opgezet en hebben herhaalde woningen in clusters in een heldere stedenbouwkundige structuur. Vaak is de ruimtelijk-visuele kwaliteit vastgelegd in een beeldkwaliteitsplan. In het algemeen zijn er geen bijzondere cultuurhistorische waarden in deze wijken. De dynamiek van deze uitbreidingen is gemiddeld. Hoewel de woningen nieuw zijn komen al veel uitbreidingen voor. Wijzigingen betreffen vooral dakkapellen en uitbouwen. De verwachting is dat in de komende jaren meer aanvragen zullen komen voor aanpassingen. Aanvullend beleid Voor het gebied rond de Blaak en de Klaas Katerstraat geldt het Beeldkwaliteitsplan Centrum. Het beeldkwaliteitsplan geeft nadere randvoorwaarden voor de herinrichting van dit deel van het centrum van Ridderkerk. Deze hebben betrekking op het gewenste beeld, openbare ruimte en architectuur. Hierbij wordt veel gebruik gemaakt van referentiebeelden. Dit beeldkwaliteitsplan wordt gebruikt als referentie en uitgangspunt voor de ontwikkeling van het nieuwe deel van het centrum. Regulier welstandsregime Het welstandsbeleid voor woonwijken uit de jaren ‘90 - ‘05 is regulier. Omdat het ontwerp van de woning in het algemeen samenhangt met naast gelegen woningen of clusters van woningen en dan vooral wat betreft materiaal- en kleurgebruik zal het welstandsoordeel zich vooral richten op het beheren van de herhaling in de architectuur. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in woongebieden uit de jaren ‘90 en ‘00 zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon de individuele woning binnen een cluster, rij of blok is een deel van het geheel en voegt zich hiernaar de woningen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte bestaande rooilijnen aan de voorzijde van rijen behouden bijgebouwen staan bij voorkeur achter het hoofdgebouw Massa bouwmassa’s zijn gedifferentieerd clusters, rijen en gestapelde woningen kennen een sterke onderlinge samenhang alleen vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling gebouwen hebben in het algemeen een onderbouw van twee lagen met een hellend of plat dak accenten in hoogte en vormgeving hebben een stedebouwkundige aanleiding op-, aan- en uitbouwen zijn bij voorkeur per rij of cluster van hetzelfde model bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en eenvoudig herhaling in de rij of het cluster is de leidraad voor het woningontwerp wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op de architectuur van het hoofdvolume de overgang tussen privé en openbaar is in het algemeen zorgvuldig vormgegeven Materiaal- en kleurgebruik het materiaal- en kleurgebruik is per rij, cluster of blok in samenhang gevels bestaan in principe uit baksteen of vergelijkbaar steenachtig materiaal, eventueel in combinatie met puien, houten beschot of panelen het kleurgebruik is in principe samenhangend en terughoudend op-, aan- en uitbouwen zijn in kleur en materiaal aangepast aan het hoofdgebouw Gebiedsbeschrijving Deze grootschalige bebouwing komt hoofdzakelijk voor langs randen van de uitbreidingswijken of langs uitvalswegen vanuit het centrum richting de snelweg, maar ook op andere belangrijke plekken in de stedenbouwkundige structuur van de stad. De belangrijkste karakteristiek wordt gevormd door de grote schaal van zowel de bebouwing als de omliggende openbare ruimte. De openbare ruimte wordt meestal gebruikt voor parkeren. De grote schaal maakt dat het eenvoudig te herkennen is in de structuur van de stad. Binnen de structuur van de wijk is er een duidelijke hoofdoriëntatie te herkennen, meestal komt deze voort uit de richting van een belangrijke infrastructurele lijn. De bebouwing volgt dan deze hoofdoriëntatie of staat hier haaks op. Deze oriëntatie komt ook tot uiting in strakke rooilijnen. Het karakter van de bebouwing wordt bepaald door zowel de herhaling van de woningen in de gebouwen als van de gebouwen zelf. De opbouw van de gevel is eenvoudig en heeft een sterke horizontale geleding. Deze geleding wordt doorbroken door de accentuering van ingangspartijen en trappenhuizen. De gebouwen bestaan uit tien tot twaalf bouwlagen, waarbij de onderste laag veelal wordt gebruikt als berging. Het aanzien van de gevels wordt bepaald door het materiaalgebruik van de balustrades van de balkons. De kopgevels zijn meestal opgetrokken uit baksteen, waarbij aan het beton van de vloeren het aantal verdiepingen is af te lezen. De gevels van de afzonderlijke woningen bestaan uit gevelvullende puien. De detaillering van de flatgebouwen, maar ook van de puien is eenvoudig en seriematig van aard, waarbij vooral de kopgevels nogal eens isolatieproblemen opleveren. Het kleur- en materiaalgebruik is terughoudend en veelal in samenhang. Als constructiemateriaal overheersen beton en baksteen, verder zijn de puien gemaakt uit hout of kunststof. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De dynamiek van deze gebieden is gemiddeld. Verandering of vernieuwing betreft vaak de entree, het trappenhuis, de dakopbouw of de kopgevel van de flat. Bij uitbreiding of sloop kan er sprake zijn van een hoge dynamiek omdat er dan sprake is van het bijbouwen of verdwijnen van een gehele flat. Het beleid is gericht op beheer van de bestaande bebouwing. Regulier welstandsregime Voor hoogbouw geldt een regulier welstandsregime. Wijzigingen en inpassingen zullen beoordeeld worden op herhaling van het woningtype waarbij de woning geldt als deel van het geheel, samenhang tussen woningen met betrekking tot kleur- en materiaalgebruik en een eenvoudige detaillering. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in hoogbouwwijken zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen hebben een duidelijke hoofdoriëntatie gebouwen zijn over het algemeen onderdeel van een stedenbouwkundig patroon Massa gebouwen hebben een sterke horizontale geleding gebouwen hebben een opbouw tot twaalf lagen met een plat dak gebouwen hebben strakke rooilijnen Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is eenvoudig ingangspartijen en trappenhuizen vormen accenten in de gevel herhaling van woningtype waarbij de woning geldt als deel van het geheel woningen hebben een sterke samenhang de overgang tussen privé en openbaar is in het algemeen zorgvuldig vormgegeven detaillering is eenvoudig en seriematig Materiaal- en kleurgebruik kleur- en materiaalgebruik is terughoudend puien zijn van hout of van kunststof Gebiedsbeschrijving Deze uitbreidingen komen voor langs randen van seriematige woongebieden in de grotere kernen, maar ook als uitbreiding van dijk- en dorpslinten. De ruimtelijke structuur bestaat meestal uit korte rechte of wat langere en enigszins meanderende straten. De bebouwing is over het algemeen gevarieerd en bestaat uit eenvoudige (semi)vrijstaande huizen tot grotere villa’s. Meestal hebben deze gebieden een planmatige opzet, maar zijn de woningen in een losser verband ten opzichte van elkaar gebouwd. De openbare ruimte is meestal beperkt tot de weg, waarlangs soms een trottoir is aangelegd. Direct aan de openbare ruimte grenzen de ruime tuinen die worden ontsloten door inritten. De woningen staan vrij, meestal midden op of iets achter op de kavel. De kleinschalige bebouwing is georiënteerd op de weg, waarbij de rooilijnen enigszins verspringen. De woningen zijn individueel en soms zeer gedifferentieerd vormgegeven en hebben een representatief uiterlijk. Soms echter komt ook beperkte herhaling van een woningtype voor. De opbouw van de woningen bestaat meestal uit één tot twee bouwlagen met een hellend of plat dak. Er komen verschillende kapvormen voor zoals zadel-, schild- en piramidedak. Bij hellende daken zijn de dakvlakken vaak voorzien van dakkapellen en -ramen. Veel woningen hebben mee-ontworpen op-, aan- en uitbouwen zoals erkers of carports. Balkons zijn meestal aan de achterzijden van de woningen geplaatst. De detaillering van de gebouwen is meestal van gemiddeld niveau, maar ook zeer zorgvuldig ontworpen en rijke details komen voor. De materialisering is vaak traditioneel met eigentijdse accenten en versieringen. Hellende daken zijn meestal voorzien van rode of donkere keramische pannen, een enkele keer komen met riet gedekte daken voor. Gevels bestaan over het algemeen uit metselwerk, grotere gevelopeningen zijn echter vaak ingevuld met houten of kunststoffen panelen. Ook komt het nogal eens voor dat gevels zijn betimmerd met houten rabatdelen. Het kleurgebruik is terughoudend, hoewel bij grotere villa’s ook minder terughoudende kleuren gebruikt worden. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Uitbreidingswijken met individuele woningen zijn planmatig opgezet. De woningen zijn in enigszins los verband gegroepeerd langs korte rechte straten of langere meanderende wegen. Deze wijken hebben geen bijzondere cultuurhistorische waarde. De dynamiek in deze woongebieden is gemiddeld. Wijzigingen betreffen veelal het plaatsen van een dakkapel of een aan- en uitbouw. Door de afwisseling in de ligging van de woningen en de gedifferentieerde opbouw hebben deze wijzigingen over het algemeen weinig invloed op het beeld. Individuele wijzigingen moeten echter passen bij de architectuur van de woning. Regulier welstandsregime Voor de individuele uitbreidingen geldt een regulier welstandsregime dat vooral gericht is op het beheer van de bestaande situatie. Bij wijzigingen zal er vooral beoordeeld worden op individualiteit, positionering van de hoofdmassa op de kavel en representativiteit van de gevels die tot uiting komt in een zorgvuldige en soms rijke detaillering en terughoudend kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in individuele uitbreidingswijken zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging per erf of kavel is er één hoofdmassa (hoofd)gebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte de rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar bijgebouwen staan achter de rooilijn van de hoofdmassa Massa gebouwen zijn in het algemeen individueel en afwisselend gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm gebouwen bestaan uit een onderbouw van één soms twee lagen met een zadel-, schild- of piramidedak de kaprichting is afwisselend zijgevels hebben vensters op-, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa bijgebouwen hebben een eenvoudige vorm Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal zijn zorgvuldig afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel gevels zijn in hoofdzaak van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen eventueel met houten of kunststof puien of rabatdelen hellende daken zijn gedekt met rode of donkere pannen of riet kleuren zijn terughoudend Gebiedsbeschrijving De kleinere dorpen hebben vaak seriematige uitbreidingen van na de oorlog in een heldere stedenbouwkundige structuur in één tot twee lagen met kap. De opzet van deze uitbreidingen is in het algemeen ruim en heeft door de voor- en achtertuinen een groen karakter. Tussen de woningen staan grotere gebouwen op bijzondere plaatsen als scholen en voorzieningen. Wat de uitbreidingen bindt is vooral de herhaling van het woningtype. De eenvoudige woning met kap komt zowel vrijstaand, in twee onder één kapvorm als in rijen voor. Per straat volgt de bebouwing dezelfde aaneengesloten rooilijn en is ze gericht op de belangrijkste openbare ruimte. De architectuur is gebaseerd op herhaling van het woningtype. Hoekwoningen zijn op een enkel raam of enkele deur na gelijk aan de tussenwoning. De meeste woningen hebben een bakstenen onderbouw met een zadeldak. De nokrichting loopt evenwijdig aan de voorgevel. Schoorstenen geven gecombineerd met de herhaalde gevelelementen ritme aan het straatbeeld. Hier en daar zijn dakvlakken voorzien van dakkapellen, dakramen of dakopbouwen. De materialisering en detaillering is vaak eenvoudig. Daken zijn voorzien van rode of donkere pannen. De gemetselde gevels hebben soms een houten pui of betimmering. Raampartijen met houten of kunststof kozijnen beslaan meestal een groot deel van de gevel en zitten op de verdieping net onder de daklijst. De rand van de kap is veelal benadrukt door een uitkragende dakgoot. Het kleurgebruik is in principe per cluster in samenhang. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De seriematige dorpsuitbreidingen kenmerken zich door een heldere opzet en de herhaling van de woning als basiseenheid. Er zijn in het algemeen geen bijzondere cultuurhistorische waarden. De dynamiek van deze uitbreidingen is gemiddeld en betreft vooral kleine wijzigingen als dakkapellen en uitbouwen, hoewel bij hoekwoningen meer plannen worden ingediend en de dynamiek dus wat groter is. Het welstandsbeleid ten aanzien van de seriematige dorpsuitbreidingen is terughoudend en gericht op beheer. Regulier welstandsregime Voor de seriematige dorpsuitbreidingen geldt een regulier welstandsregime. Het beleid is terughoudend en gericht op beheer met behoud van strakke rooilijnen, herhaling in de architectuur en samenhang in materiaal en kleurgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in seriematige dorpsuitbreidingen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging hoofdgebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte de individuele woning binnen een cluster/rij is een deel van het geheel bij clusters/rijen aansluiten op oriëntatie en ontsluiting van het geheel de nokrichting is evenwijdig aan of haaks op de rooilijn rooilijnen zijn per cluster/rij in samenhang aan- en bijgebouwen liggen in principe achter het hoofdgebouw overige gebouwen (zoals voorzieningen) kunnen vrij op het kavel staan Massa clusters/rijen kennen een sterke onderlinge samenhang overige gebouwen afstemmen op naastgelegen panden woningen bestaan uit een onderbouw tot twee lagen met een zadeldak gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm op- en aanbouwen zijn bij voorkeur per cluster/rij van hetzelfde model aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is eenvoudig wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume of cluster/rij een cluster/rij heeft een doorlopende gevelritmiek traditionele Hollandse houten profileringen vormen het uitgangspunt voor kozijnen bij wijzigingen karakteristieke detaillering behouden op- en aanbouwen zijn per cluster/rij afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleur- en materiaalgebruik is per cluster/rij in samenhang gevels bestaan in principe uit baksteen, eventueel met puien of houten beschot hellende daken van woningen zijn bij voorkeur van rode of donkere keramische pannen het kleurgebruik is terughoudend het materiaal- en kleurgebruik van op- en aanbouwen is aangepast aan het hoofdgebouw Gebiedsbeschrijving De bebouwing op moderne bedrijventerreinen bestaat uit representatieve bedrijfspanden die een samenhangend beeld scheppen. Het zijn monofunctionele gebieden waarbij de gebouwen de functie van het terrein weergeven. De terreinen hebben een heldere stedenbouwkundige opzet. De inrichting van de openbare ruimte is zorgvuldig, doelmatig en representatief. Groenelementen als bomen en groenstroken versterken de representativiteit. De gebouwen zijn vrijstaand. Ze zijn georiënteerd op de weg en hebben soms een verspringende rooilijn. Representatieve ruimten en kantoorachtige delen liggen in het algemeen aan de voorzijde. De bebouwing is in principe individueel en eenvoudig van opzet. De opbouw is veelal tot twee lagen hoog met een plat dak. Ze bestaat uit eenvoudige volumes waarbij entreepartijen en kantoorgedeelten veelal vormgegeven zijn als accenten. Ze heeft een grote variatie in maat en schaal. De opbouw is eenvoudig. Gevels zijn representatief en hebben een eenvoudige detaillering. Bij gesloten gevels vormen entrees, representatieve ruimten en kantoorachtige delen accenten. Het materiaalgebruik is overwegend modern. Gevels van plaatmateriaal, gevouwen staalplaat en steenachtige materialen komen veel voor. Het kleurgebruik is terughoudend en in onderlinge samenhang. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Voor moderne bedrijventerreinen zijn de openbare ruimte en de verschijningsvorm van de bebouwing, die onder meer dienst doet als blikvanger, van belang. De dynamiek van deze gebieden is gemiddeld, hoewel bij vernieuwing meestal hele gebouwen worden vervangen. Eventuele aanpassingen dienen zorgvuldig ingepast te worden in de bestaande architectuur. Regulier welstandsregime Voor moderne bedrijventerreinen geldt een regulier welstandsregime. Het beleid is terughoudend en gericht op het goed functioneren en beheer. De beoordeling is gericht op representativiteit en zorgvuldigheid van de architectuur. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in moderne bedrijventerreinen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen staan vrij op het kavel per terrein is er één hoofdmassa gebouwen zijn met de voorgevel gericht op de ontsluitingsweg rooilijnen van de hoofdmassa’s zijn teruggelegen en volgen de weg opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats Massa gebouwen zijn overwegend vrijstaand, individueel en representatief gebouwen hebben een duidelijke vorm gebouwen hebben een onderbouw met bij voorkeur een plat dak en anders een zichtbaar hellend dak entreepartijen en kantoorgedeelten zijn vormgegeven als accenten of als zelfstandige volumes zo min mogelijk dichte gevels aan ontsluitingswegen Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen in stijl, maat en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat materiaal- en kleurgebruik van uitbreidingen is afgestemd op het hoofdvolume het kleurgebruik is terughoudend en in onderlinge samenhang Gebiedsbeschrijving Traditionele bedrijventerreinen zijn monofunctionele gebieden met grotere en kleinere bedrijfshallen en enkele kantoorachtige bebouwing. De terreinen hebben veelal een eenvoudige hoofdstructuur. Soms wordt er op deze bedrijventerreinen ook gewoond. De bedrijfswoningen zijn vaak vrijstaand, maar soms ook inpandig. De panden zijn vrijstaand of tegen elkaar aangebouwd. Gebouwen zijn georiënteerd op de weg. De rooilijn verspringt. Opslag vindt deels in het zicht plaats. De bedrijfshallen, kantoren en de bedrijfswoningen zijn in het algemeen individueel en afwisselend. Gebouwen zijn eenvoudig van opzet. De opbouw is veelal twee tot drie lagen hoog met een plat dak of flauw hellend zadeldak. Woningen hebben veelal een opbouw van één tot twee lagen met hellende kap of plat dak. Hallen een loodsen hebben een eenvoudige opbouw. Gevels van de bedrijfsgebouwen zijn veelal gesloten. Entreepartijen, woon- en kantoorgedeeltes zijn soms vormgegeven als accenten. De detaillering is in het algemeen sober. Het materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel. De gevels zijn van baksteen een enkele keer gepleisterd of van plaatmateriaal. Het kleurgebruik varieert van terughoudende tot felle kleuren. De inrichting van de openbare ruimte is doelmatig, eenvoudig en sober. Groenelementen komen nauwelijks voor. Opslag in het zicht geeft soms een onverzorgd beeld. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Traditionele bedrijventerreinen hebben een heldere opzet en eenvoudige bebouwing. Het zijn monofunctionele terreinen waarbij de bebouwing hun functie weergeeft. Afhankelijk van de ouderdom van de bestaande bebouwing en de behoefte van de daarin gevestigde bedrijven zullen er veranderingen gewenst zijn. Daarbij zal het voornamelijk gaan om uitbreiding van bestaande gebouwen en de vervanging van oudere hallen door gebouwen die aan de huidige eisen voldoen. Het goed functioneren van de bedrijventerreinen is van belang. Regulier welstandsregime Voor de sobere bebouwing langs een eenvoudige hoofdstructuur geldt een regulier welstandsregime gericht op beheer van de openbare ruimte en het goed functioneren van het terrein. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in traditionele bedrijventerreinen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen zijn georiënteerd op de weg representatieve, openbare en woonfuncties zijn naar de straat gericht de rooilijnen kunnen verspringen ten opzichte van elkaar opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats Massa gebouwen zijn in principe individueel en afwisselend gebouwen zijn eenvoudig van opbouw gebouwen bestaan bij voorkeur uit een ongedeelde hoofdmassa gebouwen hebben een onderbouw van twee lagen met een plat of hellend dak Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is soms sober maar in ieder geval zorgvuldig accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen in stijl, maat en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik gevels zijn van baksteen, een enkele keer gepleisterd of van plaatmateriaal onderlinge samenhang is uitgangspunt voor het kleurgebruik, waarbij terughoudende kleuren de voorkeur hebben maar bij zorgvuldige toepassing ook felle kleuren mogelijk zijn Gebiedsbeschrijving Het zijn gebieden zonder enige samenhang tussen bebouwing en omgeving. Door de ligging in de opgehoogde uiterwaarden langs de ringdijk vormen de havengebieden een barrière in de beleving tussen tussen de kern en de rivier. De terreinen hebben veelal een eenvoudige hoofdstructuur. De gebouwen weerspiegelen de functie van het gebied en kennen weinig verfraaiingen. Tussen de opslagterreinen en bedrijfshallen staan enkele kantoorgebouwen. De inrichting van de openbare ruimte is doelmatig en eenvoudig, op het sobere af. Geplande groenelementen komen nauwelijks voor, maar er zijn meestal wel ruime groene bermen en braakliggende terreinen. Op- en overslag van goederen vindt meestal in het zicht plaats. Hierdoor wordt het rommelige karakter van deze gebieden versterkt. Goederen worden ook opgeslagen in silo’s. Bedrijfshallen en kantoren zijn over het algemeen individueel, omdat ze vooral gebouwd zijn voor hun specifieke functie. Opslag- en productiegebouwen hebben een schijnbaar willekeurige oriëntatie en hebben zelden een duidelijke voorgevel. Rooi- en noklijnen verspringen. Gebouwen zijn eenvoudig van opzet en hebben veel variatie in vorm. De gevels van de opslag- en productiegebouwen zijn veelal gesloten. Entreepartijen en kantoorgedeeltes zijn soms vormgegeven als accenten. De detaillering van de gebouwen is over het algemeen erg sober. Meestal zijn de gevels opgebouwd uit gevouwen staalplaat of beton. Soms is ook baksteen als bouwmateriaal gebruikt. Het kleurgebruik varieert van terughoudend tot felle kleuren bij reclame. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De havengebieden vormen een belemmering in de beleving van de rivier vanaf de ringdijk en de rest van de kern. De beeldkwaliteitswaarde van bebouwing in havengebieden is over het algemeen niet groot. De vormgeving van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte is meestal eenvoudig en veelal toegespitst op het gebruik ervan. Doordat de op- en overslag van goederen meestal in het zicht gebeurt, wordt het sobere en rommelige beeld veelal versterkt. De dynamiek van deze gebieden is gemiddeld tot hoog en betreft zowel kleine aanpassingen als vervanging of nieuwbouw van gehele bedrijfspanden. Regulier welstandsregime Voor de havengebieden geldt een regulier welstandsregime, dat is gericht op het gebruik van de havens en het behouden van een basiskwaliteit. Bij wijzigingen zal worden beoordeeld op de individualiteit van de gebouwen, een basiskwaliteit in de detaillering en samenhang in kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in havengebieden zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen zijn georiënteerd op de weg representatieve functies zijn naar de straat gericht de rooilijnen kunnen verspringen ten opzichte van elkaar opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats Massa gebouwen zijn in principe individueel en afwisselend gebouwen zijn eenvoudig van opbouw gebouwen bestaan bij voorkeur uit een ongedeelde hoofdmassa gebouwen hebben een onderbouw van maximaal drie lagen met een plat of flauw hellend dak Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is in het algemeen zorgvuldig en sober accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen in stijl, maat en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik gevels bestaan hoofdzakelijk uit gevouwen staalplaat of zijn van baksteen het kleurgebruik is bij voorkeur terughoudend en in onderlinge samenhang Gebiedsbeschrijving Dit zijn gebieden met een recreatieve of sportfunctie met overwegend eenvoudige bebouwing en een groen karakter. Naast recreatieterreinen en sportterreinen en -complexen vallen ook maneges, openluchtzwembaden, volkstuinen en begraafplaatsen in deze categorie. De terreinen zijn verschillend van grootte. Ook de bijbehorende bebouwing is verschillend in grootte en vormgeving. Daarnaast komen er grootschalige sportgebouwen als zwembaden en sportcomplexen voor. Veel sport- en recreatieterreinen zijn voorzien van een parkeerterrein. In het algemeen bestaat de bebouwing uit een hoofdgebouw met meerdere bijgebouwen, die meestal vrij op het terrein staan. Het hoofdgebouw heeft de functie van clubhuis, kantine, kantoor, kleedruimte of een functieoverkoepelende sporthal. De gebouwen staan vrij op het maaiveld. Gebouwen zijn meestal geclusterd waarbij het hoofdgebouw gericht is op de belangrijkste openbare ruimte of het hoofdsportveld. De entree is gericht op de weg en is veelal vormgegeven als accent. De gebouwen hebben een eenvoudige opbouw. Ze bestaan in hoofdzaak uit een onderbouw van één tot twee lagen met een flauw hellende kap of plat dak. Sporthallen en overdekte zwembaden hebben veelal een hogere bouwhoogte. Hoewel de gebouwen vaak verschillen van uiterlijk is de hoofdvorm vaak helder en de architectuur eenvoudig. Grote vlakken bestaan uit materiaal met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat. De gevels van de sporthallen en zwembaden zijn op het entreegedeelte na veelal gesloten. Het kleurgebruik is terughoudend. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De sport-, recreatieterreinen en parken zijn eenvoudig qua opzet en bebouwing en hebben een groen karakter. De architectuur is terughoudend. Er zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden. Er zijn geen grootschalige ontwikkelingen te verwachten. Het beleid is terughoudend en gericht op beheer. Sport- en recreatieterreinen moeten goed worden ingepast in het landschap of de ruimtelijke structuur van de kern. Regulier welstandsregime Voor sport- en recreatieterreinen met de veelal heldere indeling geldt een regulier welstandsregime. Bij beoordeling zal worden gelet op een terughoudende architectuur en landschappelijke inpassing. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in sport- en recreatieterreinen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging per terrein is er één hoofdmassa het hoofdgebouw is vrijstaand en individueel het individuele gebouw binnen een cluster is deel van het geheel en voegt zich hier naar het hoofdgebouw is met de voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte bijgebouwen zijn ondergeschikt grootschalige verharding van voorerven voor bijvoorbeeld parkeerplaatsen zoveel mogelijk beperken Massa gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm gebouwen bestaan uit een onderbouw van één tot twee lagen met flauw hellende kap of plat dak individuele gebouwen binnen een cluster zijn op elkaar afgestemd er zijn zo min mogelijk dichte gevels aan de straat aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw geledingen in massa zijn wenselijk Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is in het algemeen eenvoudig accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk entreepartijen zijn vormgegeven als accent of als zelfstandig volume bijgebouwen zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik gevels zijn bij voorkeur van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat het kleurgebruik is terughoudend en in onderlinge samenhang Gebiedsbeschrijving De bebouwing in het buitengebied staat in het algemeen langs ontsluitingswegen en is meestal gegroepeerd langs linten. De bebouwing bestaat voor het overgrote deel uit woningen en bedrijfsgebouwen en enkele boerderijen. Over het algemeen staat de bebouwing vrij op de kavel. Hoofdgebouwen zijn met de voorzijde gericht op de hoofdweg. Rooilijnen volgen de weg en verspringen onderling. De bedrijfsgebouwen als hallen, kassen en schuren liggen meestal achter en soms naast de woongebouwen. Het deel van het erf voor de hallen, kassen en schuren is vaak verhard. Incidenteel zijn er kleine gebouwen in het buitengebied te vinden die los van de linten staan. Deze gemalen, electriciteitshuisjes en dergelijke hebben een alzijdige oriëntatie. De woningen zijn individueel en afwisselend. Woningen hebben een eenvoudige tot gedifferentieerde opbouw bestaande uit een onderbouw van één tot twee lagen met kap. Op-, aan- en uitbouwen komen veel voor en deze zijn in het algemeen ondergeschikt en opgenomen in de hoofdmassa. Gevels van de woningen zijn veelal representatief. Met name de oudere woningen zijn verticaal geleed met staande ramen. De detaillering van woningen is zorgvuldig en gevarieerd, van eenvoudig tot rijk. Gevels van oudere woningen zijn voorzien van elementen als siermetselwerk, gevellijsten, windveren en dergelijke. De gevels van de woningen zijn van baksteen of vergelijkbaar steenachtig materiaal, een enkele keer voorzien van houten betimmering. De daken van de woningen zijn gedekt met pannen. Bedrijfsgebouwen hebben een eenvoudige opbouw van één tot twee lagen met een flauw hellend zadeldak. Bedrijfsgebouwen zijn eenvoudiger gedetailleerd dan de woningen en hebben veelal gevels van plaatmateriaal en een enkele keer van baksteen. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De oorspronkelijke structuurelementen zoals dijken, kades en watergangen zijn waardevolle landschappelijke elementen. Ook komen er in het gebied enkele cultuurhistorisch waardevolle gebouwen als boerderijen voor. Een deel hiervan is monument. Het buitengebied van Oost-IJsselmonde is aan verandering onderhevig door de bouw van kassencomplexen,woonwijken en recreatiegebieden. Ook de aanleg van nieuwe infrastructuur zoals de Betuwelijn en de HSL brengen veel ruimtelijke veranderingen met zich mee. Behoud van de oorspronkelijke structuurelementen en cultuurhistorische bebouwing is beleidsinzet, evenals het behouden van het karakteristieke profiel van de lintwegen en het inperken van grote oppervlakken verharding ten behoeve van inritten en dergelijke grenzend aan ontsluitingswegen. Regulier welstandsregime Voor het buitengebied geldt een regulier welstandsregime. De beoordeling van de woongebouwen is gericht op afwisseling en individualiteit, zorgvuldige detaillering en traditioneel materiaal- en kleurgebruik. De bedrijfsgebouwen dienen sober en zorgvuldig te zijn vormgegeven, met een terughoudend kleurgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het buitengebied zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging hoofdbebouwing staat aan de straatzijde, bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie de rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar de bebouwing is met de voorgevel gericht op de weg publieke of representatieve functies zijn gericht op de weg bijgebouwen liggen achter de hoofdmassa rooilijnen zijn per cluster of rij in samenhang opslag bij voorkeur uit het zicht houden grootschalige verharding van voorerven voor bijvoorbeeld inritten is in principe ongewenst kleine, utilitaire gebouwtjes in het veld hebben een alzijdige oriëntatie Massa gebouwen zijn individueel en afwisselend woongebouwen bestaan uit een onderbouw van één tot twee lagen met een kap bedrijfsgebouwen bestaan uit een onderbouw van één laag met een flauw hellend zadeldak of plat dak de nokrichting is evenwijdig aan of haaks op de weg en is per rij in samenhang zijgevels van vrijstaande woningen hebben vensters op-, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en hebben een eenvoudige vorm Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd gebouwen zijn eenvoudig en zorgvuldig gedetailleerd zeer grote lengtes zijn door middel van geleding van de wand (in materiaal of vorm) doorbroken wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik de kleuren zijn traditioneel en terughoudend gevels van woongebouwen zijn van baksteen hellende daken van woningen zijn gedekt met pannen grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur kleuren contrasteren niet met de omliggende bebouwing houtwerk is geschilderd of gebeitst aanbouwen en bijgebouwen zijn in materiaal- en kleurgebruik afgestemd op de hoofdmassa In dit hoofdstuk worden de objectgerichte welstandscriteria genoemd voor de bouwwerken die bijzonder specifiek en beeldbepalend zijn voor Zwijndrecht. De criteria zijn gebaseerd op de historische karakteristieken, om te bereiken dat nieuwe bouwwerken of ingrepen aan bestaande bouwwerken harmoniëren met de bestaande gebouwde omgeving. Dat wil overigens niet zeggen dat om imitatie van historische elementen wordt gevraagd. Juist een eigentijdse vormgeving kan de karakteristieken benadrukken (zie hiervoor ook de algemene welstandscriteria). Beleid ten aanzien van specifieke bouwwerken In de gemeente Ridderkerk zijn verschillende gebouwtypen benoemd als bouwwerken waarvoor een beoordelingskader met ‘eigen’ welstandscriteria zal worden opgesteld. De opzet van deze objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met de gebiedsgerichte beoordelingskaders. Het betreft hier de volgende objecten: Boerderijen Agrarische bedrijfsgebouwen Dakopbouwen Reclamezuilen, zendmasten en windturbines Ook voor deze specifieke bouwwerken is het vaststellen van het welstandsregime van belang. Het moet aansluiten bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Er zijn voor de specifieke bouwwerken vier welstandsregimes mogelijk: Beschermde objecten als door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen monumenten. Aangewezen monumenten zijn erkend als bouwwerken van groot algemeen belang en genieten een wettelijke bescherming. Alle ingrepen aan monumenten zijn naast monumentenvergunningplichtig ook bouwvergunningplichtig, dus ook de zaken die elders vergunningsvrij zijn. De welstandsbeoordeling is gericht op het op hoog kwaliteitsniveau handhaven, herstellen en versterken van de historische karakteristieken van de gevel en de samenhang van het monument met zijn omgeving. Het is niet noodzakelijk gebleken om voor monumenten expliciete welstandscriteria op te stellen omdat de algemene, gebiedsgerichte- en objectgerichte welstandscriteria kunnen worden gebruikt en bouwplannen worden getoetst door de monumentencommissie. Bijzondere welstandsobjecten waarbij extra inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is. Het welstandstoezicht wordt gericht op het voorkomen van aantasting van de karakteristieken en het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Het kwaliteitsniveau van ingrepen aan deze bouwwerken moet hoog zijn. Reguliere welstandsobjecten waarbij de basiskwaliteit moet worden gehandhaafd. De gemeente stelt geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit maar heeft wel toegesneden welstandscriteria opgesteld omdat de gebiedsgerichte welstandscriteria niet altijd bruikbaar zijn. Het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van deze bouwwerken. Welstandsvrije objecten. In het kader van deze beleidsnota worden welstandsvrije bouwwerken of objecten in Ridderkerk niet wenselijk geacht. Objectbeschrijving In Ridderkerk zijn op meerdere plaatsen langs de linten boerderijen te vinden, die aan het agrarisch verleden van de gemeente herinneren. Goede voorbeelden hiervan staan onder meer langs de Lagendijk. De boerderijen liggen meestal niet direct aan de weg, maar dieper op de kavel, veelal omgeven door beplanting. De erfindeling en de erfbeplanting maken van oorsprong deel uit van de compositie van het geheel. De beplanting dient hierbij als zonwering en windkering. Deze is echter bij een deel van de boerderijen verloren gegaan. De rooilijnen van de hoofdgebouwen verspringen en lopen evenwijdig aan de weg of aan het slotenpatroon. De bebouwing bestaat vaak uit een hoofdgebouw en iets teruggelegen bijgebouwen als stallen, schuren en hooibergen. Het hoofdgebouw staat in principe met de kop- of langsgevel gericht naar de hoofdweg. Het hoofdgebouw is soms onderverdeeld in een woon- en een bedrijfsdeel en meestal voorzien van een plint, een begane grond en een laag met een ruimbemeten kap, die meestal de vorm van een zadeldak heeft eventueel met wolfseind. In de dakvlakken zitten tegenwoordig vaak dakramen. Historische boerderijen hebben in het algemeen een lage goothoogte. De veelal representatieve kop- of langsgevel van het woondeel is vaak symmetrisch met hoge ramen, die soms zijn geflankeerd door luiken. De overige ramen van de zijgevels zijn meestal kleiner. De boerderijen hebben een zorgvuldige detaillering. Bij traditionele boerderijen komen veel rijke details als versierde omlijstingen om de grote ramen en een windveer langs de dakrand voor. De gevels zijn veelal opgebouwd uit een bruine of gele baksteen, een enkele keer wit gepleisterd. De plint is meestal van een ander materiaal of andere kleur. Daken zijn merendeels afgedekt met keramische pannen of ook wel met riet. De overwegend houten kozijnen zijn meestal geschilderd in een lichte kleur, evenals de meeste andere houten elementen als de windveer. Het raamhout is vaak juist in een donkere, meestal donkergroene kleur geschilderd. De bijgebouwen zoals de stallen en schuren hebben een met het hoofdgebouw vergelijkbaar hoofdvolume, maar zijn in architectuur en detaillering soberder. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De boerderijen met erfbeplanting en bijgebouwen, zijn kenmerkend voor het buitengebied. De boerderijen bepalen mede het cultuurhistorisch waardevolle beeld. Een aantal boerderijen verliest de agrarische functie en wordt aangepast op de woonfunctie. Hiermee kan het beeld ingrijpend veranderen. De hoofdopzet van het gebouw alsmede de erfinrichting zijn van belang. Bijzonder welstandsregime Voor de boerderijen in Ridderkerk geldt een bijzonder welstandsregime. Naast de ordening op het erf zal er onder meer worden beoordeeld op een zorgvuldige detaillering en een traditioneel kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen voor boerderijen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging er is één hoofdmassa en deze staat voor de bijgebouwen heldere ordening van verschillende gebouwen op het erf aanhouden rooilijnen zijn evenwijdig aan de weg of liggen parallel aan het verkavelingspatroon doorzichten behouden en waar mogelijk versterken het hoofdgebouw is met de voor- of representatieve gevel gericht naar de weg Massa gebouwen zijn vrijstaand, individueel en afwisselend gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm gebouwen bestaan uit een onderbouw van één laag met in principe een zadeldak gebouwen hebben een lage goothoogte op-, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume zijgevels hebben vensters Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd het verschil tussen voorhuis en achterhuis van het hoofdgebouw wordt benadrukt wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal zijn zorgvuldig afgestemd op het hoofdvolume kozijnen, dakgoten, daklijsten, windveren en dergelijke zijn zorgvuldig gedetailleerd en voorzien van profileringen bijgebouwen als hallen en schuren zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa vensters in het woongedeelte zijn staand vensters hebben een onderverdeling met tussenstijlen of tussenregels Materiaal- en kleurgebruik gevels zijn in principe gemetseld in bruine of gele baksteen en soms voorzien van stucaccenten hellende daken zijn gedekt met keramische pannen of natuurriet bijgebouwen zijn in materiaal- en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw het kleurgebruik is traditioneel en terughoudend Objectbeschrijving Naast geheel glazen kassen komen in de gemeente agrarische gebouwen voor als schuren en hallen. Ze worden gebruikt voor de verwerking en teelt van gewassen. Deze kunnen achter een klassieke boerderij staan, maar ook op het erf van een plattelandswoning. De agrarische bedrijfsgebouwen staan niet direct langs de weg, maar liggen achter de eerste rij bebouwing waarin de woonhuizen te vinden zijn. Ze hebben eenvoudige, rechthoekige plattegronden en staan met de korte zijde naar de weg gericht. Aan deze kant is vaak een grote deur te vinden. De hoogte is veelal beperkt tot één laag met een flauw hellende kap. Ook de uitvoering is eenvoudig. In het algemeen hebben ze een onderbouw met een plint van baksteen en een gevel van staalplaat. Het dak is ook vaak afgedekt met een staalplaat, soms in combinatie met doorzichtige kunststof platen. Voor specifieke teelt in bloeikassen kunnen echter ook andere materiaalcombinaties wenselijk zijn, zoals glazen daken en raamstroken. De detaillering van de agrarische bedrijfsgebouwen is terughoudend. De kleuren van deze gebouwen zijn gedekt. De beplating van de onderbouw varieert in het algemeen van licht tot donkergroen. Hier en daar is de lengte van de gebouwen gebroken door lichte kleurverschillen in de gevels. Kozijnen zijn vaak uitgevoerd in de kleur van de beplating of wit. De daken zijn meestal lichtgrijs. Op deze manier vallen de gebouwen niet op in het landschap en trekken ze minder aandacht dan de woonbebouwing grenzend aan de weg. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De waarde van de agrarische bedrijfsgebouwen is vooral gelegen in hun functioneren. Ze vertegenwoordigen geen cultuurhistorische waarden, maar vervullen een rol in de uitoefening van het boerenbedrijf en daarbij horende functies. In de toekomst kunnen oude gebouwen worden vervangen, maar ook meer agrarische bijgebouwen worden geplaatst. Het beleid voor de agrarische bedrijfsgebouwen is gericht op het beheer van het landschap, waarin de agrarische bedrijven een belangrijke rol vervullen. De gemeente richt zich op het inpassen van deze objecten in het landschap. Terughoudende vormgeving en kleurstelling zijn gewenst gezien het open landschap en de daaruit volgende goede zichtbaarheid van de gebouwen. De plaatsing van de gebouwen moet recht doen aan het verkavelingspatroon van het landschap. Regulier welstandsregime Voor de functionele agrarische bedrijfsgebouwen geldt het reguliere welstandsregime, waarbij terughoudende vormgeving en kleurstelling het meest van belang zijn. Welstandscriteria Bij de beoordeling van bouwplannen wordt er getoetst aan de hand van de volgende criteria. Ligging plaatsing achter het hoofdgebouw het gebouw is bij voorkeur met de korte gevel gericht naar de weg rooilijnen variëren tussen evenwijdig aan de weg en parallel aan het verkavelingspatroon doorzichten behouden en waar mogelijk versterken Massa agrarische bedrijfsgebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm agrarische bedrijfsgebouwen hebben een onderbouw van één laag met bij voorkeur een flauw hellend zadeldak en anders een plat dak Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig en zorgvuldig geen reclame-uitingen op of aan schuren of hallen plaatsen Materiaal- en kleurgebruik grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering, metaal- of golfplaat en anders uit transparant glas het kleurgebruik is terughoudend en aangepast aan het landelijk gebied daken zijn bij voorkeur grijs en anders van glas Objectbeschrijving Een dakopbouw is een toevoeging aan het dakvlak die in tegenstelling tot een dakkapel, niet ondergeschikt is. Door een dakopbouw wordt het silhouet van het oorspronkelijke dak aangetast. Dit heeft een ingrijpende invloed op het straatbeeld. Een dakopbouw kan worden aangebracht op een plat dak of een zadeldak. Hierbij streeft de gemeente per rij of blok naar een herhaling van gelijke exemplaren die regelmatig, op een horizontale lijn zijn gerangschikt. Bij huizen met een flauwe dakhelling en geringe verdiepingshoogte onder de nok is het met genoemde normen vaak niet mogelijk via een dakkapel een ruimte te maken met een bruikbare hoogte. Door de relatief forse afmetingen en geringe afstand tot de nok vormt een bruikbare dakkapel vormt bij een dergelijke kapvorm geen ondergeschikte toevoeging op het dak meer. Dit leidt tot een aantasting van de vorm en het profiel van de bouwmassa. Om een evenwichtige, heldere vorm en een sprekend profiel te behouden zal in plaats van een element aan de bouwmassa toe te voegen in zo'n geval gedacht moeten worden aan een aanpassing van de vorm en het profiel van de bouwmassa. Een ingreep die is geïntegreerd met en inspeelt op de bouwmassa is noodzakelijk. Een dakopbouw, waarbij het bestaande dak als het ware wordt verlengd en de nok wordt opgetild, biedt hierbij vaak een uitkomst. Op deze manier blijft de karakteristiek en dakhelling van het dakvlak behouden. Voor een evenwichtige verhouding van een dergelijke dakopbouw is het echter van belang dat de kozijnhoogte beperkt blijft. Een dakopbouw betekent een omvangrijker en kostbaarder ingreep dan het plaatsen van een dakkapel. Daar staat echter tegenover dat de ruimtewinst aanmerkelijk groter is dan bij een dakkapel, omdat een dakopbouw in de meeste gevallen over de volle breedte van de woning kan worden aangebracht. Wanneer een welstandshalve aanvaardbare dakkapel niet tot de beoogde vergroting van het bruikbare vloeroppervlak leidt vormt een dakopbouw in de meeste gevallen een goed alternatief. Verder vraagt ook een dakopbouw wat betreft vormgeving, materiaalgebruik en detaillering om een zorgvuldige afstemming op de bestaande toestand. Er zijn echter situaties denkbaar (afhankelijk van afmetingen/vormgeving van de bouwmassa en/of de omgeving) waarbij een dakopbouw minder geschikt is. Een dakopbouw is over het algemeen moeilijk te combineren met dakkapellen, zodat deze combinatie in principe ongewenst zijn. Algemene criteria dakopbouwen Bij de beoordeling van bouwplannen wordt er getoetst aan de hand van de volgende criteria. Plaats dakopbouw alleen plaatsen als andere uitbreidingsvormen niet mogelijk zijn of niet kunnen voorzien in de ruimtebehoefte dakopbouw alleen plaatsen als in de bestaande ruimte tenminste een vrije stahoogte van 2,00 meter aanwezig is maximaal één verdieping geplaatst op het hoofdgebouw geplaatst op plat dak of op een zadelkap waarvan de hellingshoek gelijk is aan of kleiner dan 30° geplaatst op een bouwwerk van minimaal twee bouwlagen, tenzij in onderstaande criteria nadrukkelijk anders is aangegeven. Geen dakopbouwen op bungalows of patiowoningen van één bouwlaag er dient verticaal gemeten minimaal 1,00 meter vrije ruimte te zijn tussen ramen en de verdiepingsvloer geen dakkapellen op de dakopbouw. Daglichttoetreding door gevelvensters of dakramen geen dakkapel op het voordakvlak indien een nokverhoging is/wordt toegepast plaatsing niet op een bestaande dakopbouw. Een dakopbouw met plat dak bijvoorbeeld dus nooit verder uitbreiden met een kap een dakopbouw kan afwijken van de betreffende welstandscriteria als er sprake is van een aanwezig goed voorbeeld in hetzelfde bouwblok. indien op het betreffende bouwblok al een dakopbouw gerealiseerd is, dient de nieuwe dakopbouw identiek te worden uitgevoerd, waarbij er wordt aangesloten op de ritmiek binnen het betreffende bouwblok Welstandscriteria dakopbouw op een plat dak Bij de beoordeling van bouwplannen wordt er getoetst aan de hand van de volgende criteria. Toepassing op samenhangende rijwoningen, mits geen afwijkende dakopbouw reeds in de rij gebouwd is op solitaire (tussen)woningen op hoekwoningen, mits geen onderdeel van een twee-onder-één-kap woning Plaats en aantal de dakopbouw dient bij voorkeur teruggelegen te worden geplaatst ten opzichte van de voorgevel. Als de dakopbouw wordt geplaatst gelijk aan het voorgevelvlak, dient er bijzondere aandacht te worden besteed aan de vormgeving, detaillering en materialisatie van de overgang tussen bestaande gevel en dakopbouw Maatvoering de hoogte van de ruimte die door de dakopbouw ontstaat is op het hoogste punt niet meer dan 2,70 meter de totale bouwhoogte van het pand wordt maximaal met 3,00 meter verhoogd het hoogteverschil van de dakopbouw met belendende panden is bij plat dak niet meer dan 3,00 meter en bij een kap niet meer dan 3,50 meter Vormgeving op rijwoningen ligt bij toepassing van een kap de noklijn evenwijdig aan de voorgevel op aaneengebouwde individuele tussenwoningen met plat dak ligt de noklijn van de dakopbouw haaks aan de voorgevel. De kapvorm en nokrichting van de belendende bebouwing zijn richtinggevend oorspronkelijke doorgaande goten en daklijsten dienen bij plaatsing van dakopbouw gelijk aan het bestaande gevelvlak te worden behouden materiaal en kleur bij voorkeur afstemmen op het hoofdgebouw, sterk contrasterende kleuren zijn niet toegestaan raamindeling moet worden afgestemd op de architectuur en gevelgeleding van de woning indien het resterende oorspronkelijke dakvlak wordt gebruikt als terras, dient de open balustrade ten opzichte van de gevel minimaal 0,20 meter teruggelegen te worden gesitueerd Welstandscriteria dakopbouw op een zadeldak door nokverhoging Bij de beoordeling van bouwplannen wordt er getoetst aan de hand van de volgende criteria. Toepassing op rijwoningen met zadelkap evenwijdig aan de voorgevel Plaats en aantal nokverhoging vindt uitsluitend plaats door het verlengen van het voordakvlak waardoor de nok naar achter verschuift geheel of gedeeltelijk optillen van het dakvlak is niet toegestaan, tenzij dit reeds eerder is toegestaan en uitgevoerd op andere woningen in hetzelfde bouwblok een dakopbouw door nokverhoging wordt op minimaal 1,00 meter vanaf de achtergevel beëindigd een dakopbouw door nokverhoging wordt horizontaal gemeten op minimaal 1,00 meter vanaf de nieuwe nok beëindigd maatvoering de nok mag door de dakopbouw verticaal gemeten met maximaal 0,80 meter worden verhoogd nokverhoging toepassen over de hele breedte van de woning de hoogte van de ruimte die door de dakopbouw ontstaat mag op het hoogste punt niet meer dan 2,70 meter bedragen de hoogte van de buitenwanden van de dakopbouw moet minimaal 0,90 meter en mag maximaal 1,20 meter bedragen vormgeving de hellingshoek van het nieuwe dakvlak moet gelijk zijn aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak materialisering van het dakvlak dient uitgevoerd te worden in overeenstemming met de oorspronkelijke dakbedekking van het hoofdgebouw indien gemetselde schoorstenen in het dakvlak staan moeten deze worden gerespecteerd kleurgebruik voor het dakvlak en de kozijnen dient in overeenstemming te zijn met het oorspronkelijke dakvlak kleurgebruik voor de buitenwanden van de dakopbouw dient afgestemd te worden op het oorspronkelijke hoofdgebouw en bij voorkeur in donkere tinten te worden uitgevoerd Objectbeschrijving Reclamezuilen, zendmasten en windturbines staan veelal vrij in het landschap of worden gecombineerd met losse bebouwing als bedrijven of boerderijen. Reclamezuilen Reclamezuilen komen vooral langs de snelwegen A15 en A16 voor, meestal in combinatie met bedrijventerreinen, benzinestations of wegrestaurants. Reclamezuilen hebben een over het algemeen een alzijdige oriëntatie. De zuilen hebben een zeer eigen opvallende vormgeving. Ze zijn in het algemeen ondergeschikt aan het hoofdgebouw of het kavel waarop deze geplaatst wordt. De hoofdvorm is eenvoudig en bestaat uit een zuil of mast met een hierop een reclamebord gemonteerd. De zuil heeft veelal een open vakwerkconstructie of een buisconstructie die is opgetrokken uit staal. De vakwerkconstructie loopt spits toe en wordt naarmate de hoogte toeneemt dunner. De buisconstructie verjongt naarmate de mast hoger wordt. Rond een reclamezuil staat soms een metalen spijlen of gazen hekwerk. Zendmasten Zendmasten komen op vele plaatsen verspreid door de gemeente voor. De masten hebben een zeer eigen technische vormgeving. Ze zijn in het algemeen ondergeschikt aan het hoofdgebouw of het kavel waarbij of waarop deze geplaatst wordt. De hoofdvorm is eenvoudig en bestaat uit een antenne geplaatst op een mast. De mast heeft veelal een slanke open vakwerkconstructie of een buisconstructie die is opgetrokken uit staal. Hogere masten worden meestal gestabiliseerd door tuien. Bij de antenne hoort een techniekkast of gebouwtje. Deze heeft een eenvoudige rechthoekige hoofdvorm met gesloten zijkanten. Ze zijn uitgevoerd in staal of in steenachtig materiaal. Techniekkasten zijn soms inpandig of ondergronds geplaatst. Rond de antenne-installaties op maaiveld staat een metalen spijlen of gazen hekwerk. Windturbines Windturbines worden bij voorkeur in een lijnopstelling langs de snelweg geplaatst of op of nabij boerenerven. Door grote hoogte hebben vooral de moderne turbines een grote invloed op het omliggende landschap. Windturbines worden altijd gedragen door een zware stalen buizenconstructie die verjongt naar mate de constructie hoger wordt. Bij de windturbine hoort een techniekkast of gebouwtje. Deze heeft een eenvoudige rechthoekige hoofdvorm met gesloten zijkanten. Ze zijn uitgevoerd in staal of in steenachtig materiaal. Techniekkasten zijn soms inpandig of ondergronds geplaatst. Rondom de turbine en de installaties op maaiveld staat een metalen spijlen of gazen hekwerk. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De invloed van reclamezuilen op het aanzien van het landschap is in het algemeen aanzienlijk. Goede inpassing is daarom van groot belang. Het gebied rondom de snelweg is met zijn grote schaal op zich een gebied waar deze op hun plaats zouden kunnen zijn. Reclamezuilen, zendmasten en windturbines zouden gecombineerd kunnen worden om het landschap niet teveel te verstoren. Het beleid is gericht op het beperken van de eventuele negatieve visuele invloed op de omgeving. Regulier welstandsregime Voor reclamezuilen, zendmasten en windturbines geldt een regulier welstandsregime. Het accent ligt daarbij op de locatie bijvoorbeeld in combinatie met de snelweg. Voor de bij zendmasten of windturbines behorende gebouwtjes of kasten gelden de gebiedscriteria van het gebied waarin de mast geplaatst wordt. Welstandscriteria Bij de beoordeling van bouwplannen wordt er getoetst aan de hand van de volgende criteria. Ligging zuilen en masten zorgvuldig inpassen in de omgeving langs snelwegen kunnen zuilen en masten een enkele keer een baken vormen zuil of mast is ondergeschikt aan het hoofdgebouw of erf waarop deze geplaatst wordt techniekkasten zijn zoveel mogelijk uit het zicht geplaatst en waar mogelijk bij voorkeur inpandig of ondergronds de plaats van een antennedrager op of aan een gebouw is afgestemd op de architectuur van dit gebouw de antennedrager op een gebouw is aan of direct bij een bestaand object op het dak of centraal op het dak van dit gebouw geplaatst Massa zuil of mast heeft een slanke open constructie of een zich verjongende buisconstructie de techniekkast / het gebouwtje voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze geplaatst wordt de hoofdvorm is eenvoudig Architectonische uitwerking de detaillering is eenvoudig en zorgvuldig er zijn zo min mogelijk tuidraden de bedrading dient zoveel mogelijk uit het zicht te blijven de bedrading is in of strak tegen de antennedrager gemonteerd bij plaatsing in of op een gebouw dient de bedrading bij voorkeur inpandig te worden aangebracht Materiaal- en kleurgebruik zuilen en masten zijn van staal zuilen en masten zijn in licht grijze tinten geschilderd het kleurgebruik van bijbehorend hekwerk, gebouwtje of techniekkast is terughoudend en aangepast aan de omgeving de toegepaste kleuren zijn niet fel of contrasterend Veel voorkomende kleine bouwwerken In dit hoofdstuk worden de welstandscriteria gegeven voor de ‘sneltoets’ van enkele categorieën veel voorkomende kleine bouwwerken: aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, dakkapellen, gevelwijzigingen, erfafscheidingen, dakramen zonnepanelen en -collectoren spriet-, staaf- en schotelantennes rolhekken, luiken en rolluiken glazen kassen en warenhuizen reclame In tegenstelling tot alle eerder beschreven relatieve welstandscriteria gaat het in deze paragraaf om vrijwel absolute, objectieve criteria die de planindiener vooraf maximale duidelijkheid geven. De wijze waarop deze sneltoetscriteria worden gebruikt is ten dele afhankelijk van het welstandsniveau van het gebied dan wel het object. Voldoet een aanvraag niet aan de sneltoetscriteria dan wil dat niet zeggen, dat het bouwplan welstandshalve niet voldoet. Het plan kan dan aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Vergunningsvrij De genoemde bouwwerken zijn binnen bepaalde randvoorwaarden vergunningsvrij. Dat betekent dat een deel van deze plannen (met name aan de achterzijde van woningen) niet preventief, dus vooraf, wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand. Wel kan de gemeente bij een vergunningsvrij bouwwerk achteraf ingrijpen als dit in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (dit gebeurt op grond van de excessenregeling, zie hoofdstuk 7). Daarom wordt aanbevolen ook bij vergunningsvrije bouwwerken kennis te nemen van de sneltoetscriteria. In de bijzondere welstandsgebieden en bij de karakteristieke of beeldbepalende panden zal de excessenregeling eerder van toepassing zijn dan in de reguliere welstandsgebieden, omdat deze gebieden en objecten gevoeliger zijn voor aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de sneltoetscriteria zijn uiteraard nooit een exces. Bouwvergunning Indien een bouwwerk dat valt onder de bovengenoemde categorieën niet vergunningsvrij is moet een bouwvergunning worden aangevraagd. In dat geval treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan geen bezwaar oplevert wordt het bouwplan door een door burgemeester en wethouders gemandateerde ambtenaar getoetst. Een bouwplan is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als wordt voldaan aan de sneltoetscriteria, maar ook niet als deze de vervanging is van een oorspronkelijk bouwwerk (behalve als deze dient te worden vervangen vanwege repressief welstandstoezicht) of als het een door de gemeente geaccepteerde toevoeging of wijziging is voor een woonwijk. Voldoet het plan aan deze criteria dan geeft deze ambtenaar namens burgemeester en wethouders het positieve welstandsoordeel. Voldoet het bouwplan echter niet aan de sneltoetscriteria dan geeft de ambtenaar namens burgemeester en wethouders een negatief oordeel. Is er sprake van twijfel of het bouwplan voldoet aan de sneltoetscriteria of een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan aan de welstandscommissie (dan wel een namens haar gemandateerd lid) voorgelegd, die bij de beoordeling tevens gebruik maakt van de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria. Monumenten Bij door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten zijn de elders vergunningsvrije bouwwerken, vergunningplichtig. Dat betekent dat altijd een bouwvergunning moet worden aangevraagd. Ook in deze gevallen treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan geen bezwaar oplevert, wordt het bouwplan door de welstandscommissie (dan wel een namens haar gemandateerd lid) getoetst aan de sneltoetscriteria. Voldoet het plan aan deze criteria dan volgt een positief welstandsadvies. Bij veel voorkomende kleine bouwplannen bij monumenten zal eerder getwijfeld kunnen worden aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria. In deze gevallen zal de bouwaanvraag eerder ter beoordeling worden voorgelegd aan de welstandscommissie. Het bouwplan zal dan worden beoordeeld op grond van de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria. Daarnaast is voor een bouwplan bij een monument altijd een monumentenvergunning vereist. Het bouwplan zal dan ook ter beoordeling worden voorgelegd aan de monumentencommissie. Voor- en achterkant In het verlengde van de systematiek van het ‘Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken’ (Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, SB 2002, 410) wordt bij de sneltoetscriteria onderscheid gemaakt in de voor- en de achterkant van een bouwwerk. Onder voorkant wordt verstaan: de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Onder achterkant wordt in dit verband verstaan: de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Het begrip ‘weg’ wordt nader verklaard in de Wegenverkeerswet. Bij het begrip ‘openbaar groen’ moet worden uitgegaan van hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. ’Gekeerd naar de weg of het openbaar groen’ impliceert dat tussen het gebouw of het erf en de weg of het openbaar groen een directe feitelijke relatie is. Die relatie is er niet wanneer zich tussen het gebouw of het erf en de weg of het openbaar groen andere begrenzende elementen aanwezig zijn, zoals het erf van de buren, bos, (bij)gebouwen of water. Dit betekent dat bijvoorbeeld een zijkant met daarlangs een sloot ook indien deze gekeerd is naar de weg of het openbaar groen wordt gezien als achterkant (in plaats van als voorkant). Opbouw van de teksten Per type bouwwerk komen de volgende punten aan de orde: een korte beschrijving van wat precies wordt bedoeld en waar de gemeente vanuit welstandsoogpunt naar streeft de sneltoetscriteria Wijze van meten Tenzij anders aangegeven worden de afstanden loodrecht gemeten. De genoemde maten gelden voor de buitenzijde van het gebouw. Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Het bestemmingsplan treedt bij de vergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen worden in grote aantallen gerealiseerd. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aan- en uitbouwen aan de voorkant een bufferzone aanwezig te zijn tussen gevel en straat. De gemeente streeft in gebieden met een samenhangende ruimtelijk-formele karakteristiek naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw. Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen (en aangebouwde bijgebouwen) aan de voorkant Een aan- of uitbouw (of aangebouwd bijgebouw) aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw (of aangebouwd bijgebouw) niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie danwel gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria, dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan een bestaande aan- of uitbouw) plaatsing en aantal: afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorgevellijn minimaal 1,50 meter de aan- of uitbouw aan de voorgevel mag niet buiten de zijgevel uitsteken, geen hoekaanbouw afstand van de aan- of uitbouw aan zijgevel tot zijerfgrens minimaal 1,00 meter er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig maatvoering: aan de zijgevel: hoogte niet hoger dan eerste bouwlaag / vloer 1ste verdieping plus 0,25 meter van het hoofdgebouw en minimaal 0,5 meter onder de dakvoet diepte maximaal 3,00 meter gemeten vanaf oorspronkelijke zijgevel oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk zijerf is bebouwd aan de voorgevel: hoogte niet hoger dan eerste bouwlaag / vloer 1ste verdieping plus 0,25 meter van het hoofdgebouw en minimaal 0,5 meter onder de dakvoet breedte maximaal 50% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel en maximaal 4,00 meter diepte maximaal 1,00 meter gemeten vanaf oorspronkelijke voorgevel vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond plat afgedekt gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw. erkers passen wat betreft hoogte en breedte in de oorspronkelijke gevelopening en kunnen voorzien zijn van een borstwering indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten (richtlijn voor bescheiden is maximaal 0,22 meter) geen koppeling met een entreeluifel materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw geen te gesloten of te transparante aan- of uitbouw (of aangebouwd bijgebouw) aan de voorkant (richtlijn: een aan- of uitbouw (of aangebouwd bijgebouw) bestaat uit minimaal 10% en maximaal 75% openingen/glasvlak) bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen (en aangebouwde bijgebouwen) aan de achterkant Een aan- of uitbouw (of aangebouwd bijgebouw) aan de achterkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw (aangebouwd bijgebouw) niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan bestaande aan- of uitbouw) plaatsing en aantal: afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorgevellijn minimaal 1,50 meter aan- of uitbouw aan de achtergevel mag niet buiten de zijgevel uitsteken, tenzij er sprake is van een hoekaanbouw (geen hoekaanbouw als zijerf grenst aan weg of openbaar groen) er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig maatvoering: hoogte in ieder geval niet hoger dan eerste bouwlaag/vloer 1ste verdieping plus 0,25 meter van het hoofdgebouw breedte/diepte van de zijaanbouw maximaal 3,00 meter gemeten vanaf oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk achter- of zijerf is bebouwd vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide ondergeschikte kapvorm, -helling en nokrichting; serres met een enkelvoudig flauw-hellend transparant dak geen doorgetrokken dakvlak van hoofdgebouw over aan- of uitbouw gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw, behalve bij serres indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw; bij serres een regelmatige verdeling van kozijnstijlen geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten (richtlijn voor bescheiden is maximaal 0,26 meter) materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen ( met uitzondering van serres) gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw bij serres zijn dak en achtergevel volledig transparant bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens serres worden op de erfgrens beëindigd met een horizontaal beëindigde, gemetselde gevel die dak en achtergevel volledig opsluit Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een vrijstaand bijgebouw of overkapping is een grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag. Een vrijstaand bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een vrijstaand bijgebouw of overkapping aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van de vrijstaande bijgebouwen en overkappingen: materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dakoverstekken of versieringen. Vrijstaande bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting. Een belangrijk kenmerk van een overkapping is de transparantie. Overkappingen mogen niet met wanden worden dichtgezet. Vrijstaande bijgebouwen of overkappingen die contrasteren met het hoofdgebouw kunnen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Welstandscriteria voor vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant Een vrijstaand bijgebouw of overkapping aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld aan een reeds bestaande aan- , uitbouw of bijgebouw) plaatsing en aantal: voor bijgebouwen afstand tot voorgevellijn minimaal 3,00 meter voor overkappingen afstand tot gevels inclusief eventuele aanbouw of bijgebouw maximaal 0,50 meter afstand tot erfgrens minimaal 1,00 meter (achter erfafscheiding) tenzij bijgebouw wat betreft materialisering is geïntegreerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk of beide hetzelfde materiaal) voor bijgebouwen afstand tot gevels hoofdgebouw (woning) inclusief eventuele aan- en bijgebouwen minimaal 3,00 meter niet meer dan twee bijgebouwen en/of overkappingen op het gehele erf maatvoering: hoogte maximaal 3,00 meter gemeten vanaf het aansluitend terrein voor bijgebouwen oppervlakte maximaal 10 vierkante meter tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk zij- of voorerf is bebouwd voor overkappingen oppervlakte maximaal 20 vierkante meter tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk zij- of voorerf is bebouwd vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open. plat afgedekt, lichte bolling is toegestaan bij een overkapping met volledig transparant dak geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten (richtlijnen bescheiden boeibord hoogte maximaal 0,26 meter) materiaal en kleur: materiaal en kleur gevels, kozijnen, profielen en kolommen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen of daarmee vergelijkbaar materiaal. bij integratie met erfafscheiding materiaal en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding bijvoorbeeld beide metselwerk of beide hetzelfde materiaal) gevels bijgebouw bestaan uit maximaal 75% openingen en/of glasvlak, op het voorerf niet te transparante bijgebouwen (serres en kassen) dakbedekking overkapping bij voorkeur transparant Welstandscriteria voor vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant Een vrijstaand bijgebouw of overkapping aan de achterkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een vrijstaand bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld aan een reeds bestaande aan- , uitbouw of bijgebouw) plaatsing en aantal: afstand tot voorgevellijn minimaal 3,00 meter afstand tot erfgrens minimaal 0,50 meter (achter erfafscheiding) tenzij bijgebouw wat betreft materialisering is geïntegreerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk of beide hetzelfde materiaal) afstand tot gevels hoofdgebouw (inclusief eventuele an- of uitbouwen) minimaal 3,00 meter voor bijgebouwen niet meer dan twee bijgebouwen en overkappingen op het gehele erf maatvoering: hoogte maximaal 3,00 meter gemeten vanaf het aansluitend terrein bij toepassing van zadeldak goothoogte maximaal 3,00 meter en nokhoogte maximaal 2,00 meter boven de goothoogte oppervlakte maximaal 30 m2 tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk achter- of zijerf is bebouwd vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal twee zijden open. plat afgedekt, lichte bolling is toegestaan bij een overkapping met een volledig transparant dak of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide éénduidige kapvorm, -helling en nokrichting geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten (richtlijnen bescheiden boeibord hoogte maximaal 0,26 centimeter) materiaal en kleur: materiaal en kleur gevels, kozijnen, profielen en kolommen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen betonplaten of damwandprofielen of daarmee vergelijkbaar materiaal Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Later toegevoegde dakkapellen zijn zelden een verrijking van het straatbeeld. Wanneer het mogelijk is wordt geadviseerd de dakkapel aan de achterkant van de woning aan te brengen. (op het achter- of zijdakvlak als het zijerf of- gevel niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen) Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domineren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. In plaats van een dakkapel kunnen ook dakramen worden aangebracht. Deze zijn minder dominant in het straatbeeld. Dakramen zijn veelal vergunningsvrij, wel wordt aanbevolen te streven naar herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Welstandscriteria voor dakkapellen aan de voorkant Een dakkapel aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok, mits passend binnen de gestelde normen de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw plaatsing en aantal: bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel boven de dakkapel minimaal een dakvlak van 0,5 meter. Minimaal 1,00 meter dakvlak onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak maatvoering: hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1,50 meter gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeibord of daktrim breedte in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3,50 meter gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) vormgeving: plat afgedekt gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten (richtlijn voor bescheiden is maximaal 0,22 meter) materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken zijwangen dakkapel in donkere gedekte kleur, gerelateerd aan de kleur van het dakvlak Welstandscriteria voor dakkapellen aan de achterkant Een dakkapel aan de achterkant (voor zover niet vergunningsvrij) is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok, mits passend binnen de gestelde normen de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw plaatsing en aantal: bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding achtergevel de afstand van de dakkapel tot de dakvoet dient minimaal 0,50 meter te zijn doch maximaal 1,00 meter minimaal 0,50 meter dakvlak boven en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) bij plaatsing op een zijdakvlak afstand tot het voorerf (meestal de voorgevelrooilijn) minimaal 1,00 meter bij meerdere dakkapellen/dakramen een tussenruimte van minimaal 1,00 meter niet meer dan twee dakkapellen per woning (regelmatig gerangschikt op horizontale lijn) op het betreffende dakvlak maatvoering: breedte maximaal 6,00 meter. Breedte aangekapte dakkapel maximaal 70% van de breedte van het dakvlak gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) plat afgedekte dakkapellen: hoogte maximaal 1,50 meter gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeibord of daktrim aangekapte dakkapellen: afstand tussen de voet van de dakkapel en de gootlijn van de dakkapel maximaal 1,00 meter, totale hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak vormgeving: plat afgedekt of, bij een dakhelling groter dan 45° desgewenst een aangekapte dakkapel met een minimale dakhelling van 25° gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten (richtlijn voor bescheiden is maximaal 0,22 meter) materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw materiaal- en kleurgebruik van kap bij aangekapte dakkapel gelijk aan kap hoofdgebouw voorvlak grotendeels gevuld met glas, beperkte toepassing van dichte panelen zijwangen dakkapel in donkere gedekte kleur, gerelateerd aan de kleur van het dakvlak Aanvullende criteria voor dakkapellen per kapvorm Bij een aantal afwijkende kapvormen zijn naast bovenstaande sneltoetscriteria voor de voor- en achterkant een aantal aanvullende welstandscriteria van toepassing. In geval van combinaties van verschillende dakvormen zal per situatie een afweging gemaakt worden van de toelaatbare uitbreidingen. Navolgende situaties kunnen relevant zijn voor de voor- en achterkant. Zadeldak met hellingshoek <30° Soms geeft een zadeldak door de flauwe helling weinig tot geen gelegenheid om een dakkapel toe te passen. Door de flauwe helling wordt de bovenzijde van de dakkapel namelijk (nagenoeg) gelijk met de nok. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast, daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30° welstandshalve ongewenst. Een reguliere dakkapel is hier dus niet mogelijk. Als de vrije hoogte onder de nok tenminste 2,00 meter bedraagt kan soms een oplossing worden gevonden door de nok te verplaatsen en te verhogen. Dan spreken we van een dakopbouw. Plaatsing valt dan onder een reguliere vergunningprocedure en zal door de welstandscommissie worden getoetst op redelijke eisen van welstand. Zadeldak met hellingshoek > 30° De algemene sneltoetscriteria voor dakkapellen zijn hier van toepassing. Hiervoor gelden dus geen aanvullende sneltoetscriteria. Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt, en dienen behandeld te worden als het zadeldak. Hierbij dienen de wolfseinden gerespecteerd te worden. Dakkapellen zijn daarom niet gewenst. Zadeldak met vliering De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen op dakvlak. Schild-, tent- of piramidedak Het karakter van deze kapvormen, met naar de nok toelopende hoekkepers, vereist een zeer beperkte afmeting van de dakkapel. Bij situering van de dakkapel dienen de hoekkepers te worden gerespecteerd en dient minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel. Mansardedak Een daktoevoeging aan de achterkant is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In beide gevallen dient de bovenaansluiting met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaats te vinden. Lessenaardak Voor dakkapellen op lessenaardaken gelden dezelfde uitgangspunten als voor zadeldaken. Afhankelijk van de hoek van het dak en de nok- en goothoogte gelden verschillende regels. Wanneer de hoek kleiner is dan 30° is een dakkapel welstandshalve niet wenselijk. Bij een hoek kleiner dan 45° is een dakkapel aanvaardbaar wanneer de vrije hoogte onder de nok meer dan 2,70 meter meet, zodat de dakkapel voldoende ver onder de nok zal blijven. Asymmetrisch dak Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een asymmetrisch dakvlak een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. Het advies hier is omzetten naar het andere dakvlak. In het algemeen worden dakkapellen onder in het dakvlak toegepast. Door de grootte van het dakvlak ontstaat hiermede een goed en evenwichtig beeld. Door de hoogte van het dakvlak is hier een dakkapel met een inwendige hoogte tot de verdiepingsvloer voorstelbaar. Beschrijving en uitgangspunten voor welstandsbeleid Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. Samenhang en ritmiek in straatwanden mogen niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar groen vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19de eeuw. Het uitgangspunt van de sneltoetscriteria is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate aan) detaillering is voornamelijk afhankelijk van het gebiedsgerichte beoordelingskader. Gevelwijzigingen dienen in lijn te zijn met de hoofdvorm en de architectuur van het gebouw zoals omschreven in de criteria. Welstandscriteria voor kozijn- of gevelwijzigingen Een kozijn- of gevelwijziging is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een kozijn- of gevelwijziging niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. Wijzigingen aan de voorgevel of zijgevel, als deze gekeerd is naar de weg of openbaar groen, zijn altijd van grote invloed op het straatbeeld. Wijzigingen aan de achterkant op de begane grond hebben zo weinig invloed op de openbare ruimte dat hiervoor geen nadere eisen hoeven te worden gesteld. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie op wijzigingen aan de achterkant op de begane grond zijn onderstaande criteria niet van toepassing plaatsing en aantal: niet van toepassing maatvoering: oorspronkelijke maatvoering kozijn en ramen behouden diepte van negge gelijk aan bestaande situatie oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden vormgeving: een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gehele gevel, met andere woorden verticale of horizontale indeling van gevel handhaven samenhang en ritmiek van de straatwand worden niet verstoord de gevel van begane grond en verdieping(en) blijft samenhangend de hoofdindeling komt overeen met de oorspronkelijke indeling indeling raamhout behouden eventuele roedeverdeling alleen met authentieke roedes toegevoegde of vervangende draaiende of schuivende delen zijn mogelijk gevelopeningen niet geblindeerd met panelen of schilderwerk bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen in originele staat of in ieder geval in overeenstemming met de vormentaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten geen originele schuiframen met bovenramen vervangen door naar buiten vallende uitzetramen, dan eerder valramen of draaikiepramen. Wisseling van het bovenraam en het terugliggende schuifraam intact laten. materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw, geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik stalen kozijn- en raamprofielen vervangen door aluminium renovatieprofielen, alleen aluminium kan de dimensionering en profilering van staal benaderen zeer terughoudend met de toepassing van kunststof bij vervanging van houten kozijnen, en zo ja, verdiept of oorspronkelijk profiel van houten kozijn toepassen Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een erfafscheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide kanten worden gewaardeerd. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Vooral in nieuwbouwwijken is dit een belangrijk punt, omdat het groen hier de eerste jaren nog niet volgroeid is. Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. In het buitengebied bijvoorbeeld zijn dichte, gebouwde erfafscheidingen bijna altijd storend. Hier dient bij voorkeur te worden gewerkt met hagen en windsingels, eventueel in combinatie met onopvallend open gaaswerk zonder puntdraad. In sommige gevallen is een open hekwerk ook voorstelbaar, zoals bijvoorbeeld bij landgoederen. Erfafscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting wekt bij velen het gevoel op van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijke uitstraling. Welstandscriteria voor erfafscheidingen Het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een erf- of perceelafscheiding niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie maatvoering: hoogte maximaal 1,00 meter als erfafscheiding wordt geplaatst voor of op minder dan 1,00 meter afstand tot de voorgevellijn hoogte maximaal 2,00 meter als erfafscheiding wordt geplaatst op minimaal 1,00 meter afstand tot de voorgevellijn vormgeving: vormgeving afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde sneltoetscriteria voor erf- en perceelafscheidingen volledig te begroeien open gaas- of hekwerk, als drager voor beplanting geleding houten erfafscheiding afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel of reeds bestaande erfafscheiding in de omgeving rechte vormgeving, geen toogvormen materiaal en kleur: terughoudend materiaal- en kleurgebruik: vermijden van contrast met bebouwing in omgeving kleur en materiaal aansluitend op erfafscheiding van naburig perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde sneltoetscriteria voor erf- en perceelafscheidingen metselwerk conform het hoofdgebouw, waarboven mogelijk metalen stijlen in donkere kleur of schotten van houten planken tussen gemetselde penanten of onderzijde gesloten (tot 1,00 meter) en bovenzijde (tot 2,00 meter) transparant of met volledig te begroeien open gaas- of hekwerk als drager voor beplanting geen toepassing van beton, kunststof, staal, golfplaat, damwandprofielen, rietmatten of vlechtschermen, niet verder behandeld geïmpregneerd hout of met bovengenoemde toepassingen vergelijkbare materialen geen felle contrasterende kleuren Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een dakraam is een raam aangebracht in het dakvlak, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak behouden blijft en dakbedekking rondom aanwezig is. Dakramen zijn niet erg dominant in het straatbeeld, maar kunnen door verschil in grootte en plaatsing binnen één dakvlak toch storend zijn. Dakramen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakraam mag dus niet ten koste gaan van de eenheid van het dakvlak. Bij meerdere dakramen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Daarbij moet de ruimte tussen het dakraam en goot of nok voldoende zijn. Ook de onderlinge afstand tussen verschillende dakramen moet voldoende zijn om het dakvlak als eenheid te respecteren. Welstandscriteria voor dakramen In veel gevallen zullen dakramen vergunningsvrij zijn. In die gevallen waarbij dat niet het geval is geldt het navolgende. Een dakraam is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakraam niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie plaatsing en aantal: bij meerdere dakramen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus in beginsel niet boven elkaar gerangschikt bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel minimaal 0,50 meter dakvlak boven, onder en ter weerszijden van het dakraam, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van het dakraam (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/voet van de dakkapel) bij meerdere dakramen een tussenruimte van minimaal 0,50 meter maximaal twee dakramen op voordakvlak en vier dakramen op achter- en zijdakvlak, waarbij maximaal 50% van het oppervlak van het betreffende dakvlak mag worden bebouwd. maatvoering: oppervlakte maximaal 2,00 m2 per dakraam bij meerdere dakramen identieke maatvoering aanhouden vormgeving: eenvoudige vormgeving, geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden kozijnprofilering materiaal en kleur: eenvoudig en bescheiden kleurgebruik, geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking. Deze voorzieningen worden in toenemende mate ontwikkeld en toegepast. Inmiddels is er zodanig ervaring mee opgedaan dat een zorgvuldige vormgeving en plaatsing mogelijk zijn. Zonnecollectoren of panelen die niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied hebben weinig ontsierende invloed. De situering van zonnepanelen of -collectoren wordt echter bepaald door de optimale stand ten opzichte van de zon. Voorkeur van de gemeente voor situering aan de achterzijde kan daarom niet van doorslaggevende aard zijn bij de beoordeling van dergelijke bouwaanvragen. Alleen in beschermde stads- en dorpsgezichten, op monumenten of beeldbepalende panden lijkt een alternatieve situering aan minder belangrijke zijden of op tuinbergingen een voor de hand liggend alternatief. Zonnecollectoren of -panelen kunnen in het ontwerp van een gebouw worden geïntegreerd. Als losse toevoeging kunnen ze echter heel storend werken. Bij meerdere collectoren/panelen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Welstandscriteria voor zonnepanelen en -collectoren Een zonnepaneel of –collector is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een zonnepaneel of –collector niet aan onder-staande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie op het dakvlak zijn geen dakramen of –kapellen gesitueerd plaatsing en aantal: bij meerdere panelen/collectoren regelmatige rangschikking op horizontale of verticale lijn in een bepaalde ordening op schuine daken: geheel binnen het dakvlak en de hellingshoek gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. op platte daken: geheel is gelegen binnen een hoek van 15° vanaf de dakrand, met een minimumafstand tot de dakrand van 0,50 meter vormgeving: paneel/collector integraal opgenomen in het ontwerp van het bouwwerk paneel/collector vormt een geheel met de installatie voor het opslaan van water of voor de opwekking van elektriciteit, zo niet dan is de installatie in het bouwwerk geplaatst materiaal en kleur: de kleur overeenkomstig met het achterliggende dakvlak of anders zwart, antraciet of donker grijs Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Het gaat hier om antennes die van wezenlijk belang zijn voor het kunnen zenden en/of ontvangen van radio-, televisie- en andere communicatiesignalen. Onder spriet- of staafantennemast worden niet begrepen calamiteitensirenes en antenne-installaties ten behoeve van mobiele telefonie. Antennes kenmerken zich door een zeer eigen technische vormgeving die vooral aan de voorzijde storend kan zijn voor het straatbeeld. De gemeente streeft dan ook naar plaatsing van antennes achter het hoofdgebouw, in ieder geval onzichtbaar vanaf de weg of openbaar groen. Antennes kunnen vrijstaand worden geplaatst of op/aan een bouwwerk worden aangebracht. Een antenne dient een ondergeschikt element te blijven ten opzichte van de omringende bebouwing. Als losse toevoeging kunnen ze storend werken op het uiterlijk van een gebouw. Met name de hoogte, de bouwkundige uitwerking en detaillering van antennes mogen geen zwaar stempel op de omgeving drukken. Een zorgvuldige plaatsbepaling kan een goed middel zijn om deze voorzieningen in te passen in de omgeving. Het heeft de voorkeur een antenne achter het hoofdgebouw en in ieder geval achter de voorgevellijn te plaatsen. Daarnaast is de maatvoering en een zorgvuldige kleurkeuze van belang. De antenne dient altijd ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw of het erf waarop deze geplaatst wordt en in ieder geval niet de boventoon te voeren. Welstandscriteria voor spriet-, staaf- en schotelantennes Een spriet-, staaf- of schotelantenne is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een spriet-, staaf- of schotelantenne niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie plaatsing en aantal: antennes bij voorkeur aan een achtergevel bevestigt, in ieder geval achter de voorgevellijn geplaatst niet aangebracht aan monumenten of beeldbepalende panden bij gestapelde woningbouw op het platte dak bij gestapelde woningbouw op of aan het balkon geplaatst binnen het verticale en horizontale vlak van het balkon en niet aan de gevel of kozijn maximaal één spriet-, staaf- of schotelantenne aan, op of bij een woning/pand maatvoering: hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing op erf maximaal 5,00 meter hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing aan gevel binnen bijzondere beeldbepalende gebieden zoals een dorpskern of centrumgebied maximaal 3,00 meter vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing aan gevel binnen overige gebieden zoals een bedrijventerrein, sportcomplex of woonwijk maximaal 5,00 meter vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak hoogte schotelantenne maximaal 3,00 meter gemeten vanaf de voet van de antenne(drager) doorsnede schotel maximaal 2,00 meter vormgeving: antenne en bijbehorende voorzieningen (mast, bedrading, tuidraden etcetera) als één geheel vormgegeven indien zichtbaar vanaf de weg of het openbaar groen zo onzichtbaar mogelijk (een minimum aan dwarssprieten kan hiertoe bijdragen) beperken van aantal tuidraden. Bij bevestiging aan gevel geen tuidraden (stabiliteit wordt behaalt uit de bevestiging aan de gevel) materiaal en kleur: materiaal en kleur onopvallend en aanvaardbaar in relatie tot de omgeving, geen felle, contrasterende kleuren maar antraciet of donker grijs Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving echter ook een onherbergzaam aanzien geven, hetgeen verloedering juist in de hand werkt. Daarom stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen. Voor woningen is het toepassen van rolhekken, luiken en rolluiken vergunningsvrij gesteld. Voor gebouwen anders dan woningen en woongebouwen echter niet. Juist in winkelgebieden zijn de problemen met deze anti-inbraak en –vandalisme voorzieningen het grootst. De gemeente streeft er daarom naar dat rolhekken, luiken en rolluiken de uitstraling van een pand niet negatief beïnvloeden. Welstandscriteria voor rolhekken, luiken of rolluiken Een rolhek, luik of rolluik is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een rolhek, luik of rolluik niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie plaatsing: bij voorkeur minimaal 1,00 meter teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie (pui) aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits: voor minimaal 70% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur/gevel aan de buitengevel, mits: plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is voor minimaal 90% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel Beschrijving en uitgangspunten voor het welstandsbeleid Een glazen kas of warenhuis is een agrarisch bedrijfsgebouw dat wordt gebruikt voor de teelt van gewassen. De glazen kas of warenhuis vormt een ondergeschikt bijgebouw dat achter het hoofdgebouw is geplaatst. De gemeente streeft naar een terughoudend uiterlijk van de glazen kassen. De kassen moeten worden passen binnen het verkavelingspatroon van het landschap en hebben een grote transparantie. Een eenvoudige glazen kas voldoet aan redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan. Welstandscriteria voor glazen kassen en warenhuizen Een glazen kas of warenhuis is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een glazen kas of warenhuis niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen plannen die zich bevinden in gebieden met een bijzonder welstandsregime worden ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie plaats en aantal rooilijn evenwijdig aan de weg of haaks op het slotenpatroon laten lopen plaatsing achter het hoofdgebouw maatvoering de onderbouw bestaat uit één laag vorm de kas heeft een eenvoudige, rechthoekige hoofdvorm de kas heeft een flauw hellend dak geen reclame-uitingen op of aan de kas plaatsen zorgvuldig detailleren materiaal en kleur het kleurgebruik is terughoudend gevels en dak uitvoeren in transparant glas, eventueel met gesloten plint van maximaal 0,30 meter hoog Beschrijving en uitgangspunten voor het welstandsbeleid Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element in de openbare ruimte. In gebieden met commerciële functies zijn reclames op zijn plaats en kunnen ze de visuele aantrekkingskracht van de omgeving verhogen. In andere gebieden zijn (bepaalde) reclame-uitingen ongewenst. Voor de toepassing van de richtlijnen maakt het verschil in welk gebied de reclame wordt aangebracht. Voor het plaatsen van een reclame voorzien van een constructie is altijd een bouwvergunning vereist. Voor de overige reclame-uitingen binnen de bebouwde kom moet een vergunning worden aangevraagd in het kader van de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Een welstandsbeoordeling maakt deel uit van deze vergunningprocedure. Sneltoetscriteria voor reclame-uitingen aan de gevel Een reclame-uiting aan de voorgevel, de zijgevel of de achtergevel voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan: maat en plaats geen reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht plaatsing loodrecht op, of evenwijdig en vlak aan, de gevel geen reclame aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie geen reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte of het open landschap ernstig belemmeren tegen of op de gevel is één reclame toegestaan met een oppervlak van maximaal 2 vierkante meter loodrecht op de gevel per bedrijf één reclame van maximaal 0,80 x 0,80 meter voor winkels geldt dat de reclame-uiting maximaal 80% van de gevelbreedte beslaat voor winkels geldt dat per 6 meter voorgevellengte maximaal 1 vlag geplaatst kan worden, bij mastlengte korter dan 3 meter maximaal 2 vlaggen plaatsen op bedrijventerreinen zijn per bedrijf meerdere reclames toegestaan met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 5% van de oppervlakte van de gevel, waarbij geen cumulatie is toegestaan vorm reclame is aangepast aan gevelcompositie, architectuur en schaal van het gebouw aan de voorgevel: reclame-uiting als zelfstandig element vormgeven aan de voorgevel: indien er (nog) samenhang en ritmiek aanwezig is in het straatbeeld mag dit door een reclame-uiting niet worden verstoord geen mechanisch bewegende delen geen lichtcouranten, lichtobjecten of lichtreclame geen daglichtreflecterende reclame geen aangelichte reclame overig deze voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor reclame-uitingen in het gebiedsgerichte beoordelingskader Sneltoetscriteria voor reclame-uitingen los van de gevel Een reclame-uiting los van de gevel voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan: maat en plaats geen reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht plaatsing bij de entree van het erf of op een parkeerplaats geen reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte of het open landschap ernstig belemmeren, maximaal één reclame-uiting per erf vorm reclame-uiting als zelfstandig element vormgeven, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met het hoofdgebouw reclame beperken tot het hoogst noodzakelijke geen mechanisch bewegende delen geen lichtcouranten, lichtobjecten of lichtreclame geen daglichtreflecterende reclame geen aangelichte reclame overig deze voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor reclame-uitingen in het gebiedsgerichte beoordelingskader In de welstandsnota kunnen welstandscriteria worden opgenomen voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur doorbreken. PROCEDURE Het opstellen van welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten vormt een vast onderdeel van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria worden opgesteld in overleg met de welstandscommissie. De gemeenteraad stelt de welstandscriteria vervolgens vast ter aanvulling op de welstandsnota. Voor dergelijke aanvullingen op de welstandsnota geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. Toetsing achteraf Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen bouwvergunning is aangevraagd, dan wel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de bouwvergunning is afgegeven, krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze bouwvergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld vanwege een negatief welstandsadvies, dan kunnen burgemeester en wethouders degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen. De gemeente geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Excessenregeling vergunningsvrije bouwwerken Ook bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning hoeft te worden aangevraagd moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 19 Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Volgens datzelfde wetsartikel moeten de criteria hiervoor in de welstandsnota zijn opgenomen. Deze ‘excessenregeling’ is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan. Criteria bij excessen De gemeente Ridderkerk hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft dit betrekking op: het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; armoedig materiaalgebruik; toepassing van felle of contrasterende kleuren; te opdringerige reclames, of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria). Bij vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de sneltoetscriteria kan geen sprake zijn van een exces. Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze beleidsregels van kracht worden en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden vóór de vaststelling van de onderhavige beleidsregels, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de onderhavige beleidsregels worden toegepast. Deze welstandsnota wordt aangehaald als: Welstand Ridderkerk. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Ridderkerk, d.d. ...……………. Aanbouw een gebouw(deel) dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw maar tot doel heeft aan dit gebouw een afzonderlijke ruimte toe te voegen Aangekapt met kap bevestigd aan dakvlak Achterkant de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde niet direct grenst aan de weg of openbaar groen Afdak dak dat is aangebracht tegen een muur of gebouw om tegen neerslag te beschermen Afstemmen in overeenstemming brengen met Antennedrager antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne Antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie Asymmetrisch dak zadeldak met twee verschillende goothoogtes en/of dakhellingen Authentiek overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk Band horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen of baksteen Bebouwing één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken Behouden handhaven, bewaren, in stand houden Belendende naastgelegen, (direct) grenzend aan Bedrijfsbebouwing gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter Beschermd dorps- of stadsgezicht gebied dat vanwege de ruimtelijke of cultuurhistorische waarde is aangewezen tot beschermd gebied krachtens de Monumentenwet Beschot afwerking van een wand met planken, schroten of rabatdelen Bestemmingsplan een door de gemeenteraad vastgesteld plan waarin de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en voorschriften worden gegeven omtrent het gebruik van deze gronden en de zich daarop bevindende opstallen Bestrating verharding zoals straatstenen of tegels Bijgebouw gebouw waarvan een essentieel kenmerk is dat dit architectonisch en functioneel ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw, zoals bergingen, garages, tuinhuisjes, blokhutten, enz., niet rechtstreeks vanuit de woning toegankelijk Blinde muur of gevel gevel of muur zonder raam, deur of andere opening Borstwering lage dichte muur tot borsthoogte Boeiboord opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal Boerderij gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis waaronder de stolp, kop-hals-romp en andere typen Bouwblok een aan alle zijden door straten en wegen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk of standplaats Bouwlaag de onderste bouwlaag of een verdieping van een gebouw (een onderhuis, zolderverdieping of vliering, alsmede kelderverdieping of ondergronds gebouwde parkeergarage worden hier niet onder begrepen) Bouwperceel een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan Bouwvergunning vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid van de Woningwet Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken bouwwerken zoals bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken Bouwverordening gemeentelijke bouwverordening Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op de plaats van bestemming, hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is of steun vindt in of op de grond Bovenbouw het bovendeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de schuine kap van een huis met de daarbij behorende kopgevels Buitengebied buiten de bebouwde kom gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd Bungalow meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd Buurtschap verzameling woningen of boerderijen buiten de bebouwde kom Carport afdak om de auto onder te stallen, meestal bij een woning Classicisme stroming in de bouwkunst, bouwstijl Conformeren zich voegen naar, gelijkvormig maken, aanpassen aan, afstemmen op Context omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken Contrasteren een tegenstelling vormen Dak afdekking van een gebouw, vlak of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht Dakhelling de hoek van het dak ten opzichte van een horizontale vlak Dakkapel uitbouw op een hellend dakvlak Daknok hoogste punt van een schuin dak Dakopbouw een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert Dakraam raam in een hellend dak Daktrim afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering Dakvlak een vlak van het dak/kap Dakvoet laagste punt van een schuin dak. Het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn Damwandprofiel metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering Deelplan een stedenbouwkundig plan, waarin een stuk van een wijk of stad gedetailleerd is uitgewerkt Detail ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam Detaillering uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen Diversiteit verscheidenheid, afwisseling, variatie Drager en invulling de drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden) Ensemble architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden Erf al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming de inrichting niet verbiedt Erf- of perceelsafscheiding tuinmuren en schuttingen van beton of hout, vlechtschermen en andere kant-en-klare afscheidingen ter afscherming van een erf of perceel Erker kleine toevoeging van ten hoogste één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in hout en glas Eerste verdieping tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen Flatgroot kantoor- of woongebouw met meerdere verdiepingen Galerij gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt Geleding verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van inspringingen Gepotdekseld gedeeltelijk over elkaar gespijkerde planken om inwatering tegen te gaan Gevel buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel) Gevelmakelaar decoratieve bekroning van een geveltop Goot waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak Goothoogte afstand tussen maaiveld en bovenste gootlijn Gootklos in de muur bevestigd stuk balk ter ondersteuning van een goot Gootlijn veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen Groengebied gebied met veel beplanting zoals parken, plantsoenen, sportterreinen en natuurgebieden Hoekaanbouw grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw Hoek- en kilkeper snijlijn van twee aansluitende dakvlakken. Hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken Hoogbouw gebouwen van meer dan vier lagen Individueel gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw Installatie set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf Industriebebouwing gebouwen met een industriële bestemming Industriegebied gebied bestemd voor de vestiging van industrie Kap samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt Kavel grondstuk, kadastrale eenheid Kern centrum van een dorp of stad Klossen uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten Kop in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw Laag zie bouwlaag Laagbouw gebouwen van één of twee lagen Lak afwerklaag van schilderwerk Landelijk gebied zie buitengebied Landschappelijke waarde de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur Latei draagbalk boven gevelopening Lessenaarsdak dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak Lichtkoepel raamconstructie in een plat dak, in de vorm van een koepel Lijst een al dan niet versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel Lineair rechtlijnig, langgerekt Lint langgerekte weg met daarlangs bebouwing Luifel een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur Maaiveld bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht Mansardekap dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor een geknikte vorm ontstaat Markies opvouwbaar zonnescherm Massa volume van een gebouw of bouwdeel Metselverband het zichtbare patroon van metselwerk Middelhoogbouw gebouwen van drie of vier lagen Middenstijl verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn Monument aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidt op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan Muurdam op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur Natuurlijke waarde de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang Negge het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn Nok horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak Onderbouw het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met een zadeldak Ondergeschikt naar plaatsing, maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik niet de boventoon voerend ten opzichte van de bestaande bebouwing en omgeving Ontsluiting de toegang tot een terrein of een gebouw Oriëntatie de richting van een gebouw Oorspronkelijk origineel, aanvankelijke vorm, authentiek Oorspronkelijke gevel gevel behorend tot de oudste gevels van een gebouw, gevel van een gebouw in zijn oorspronkelijke staat Openbaar groen met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen Orthogonaal rechthoekig Overkapping overkapping of carport, plat afgedekt met niet meer dan één zijwand Overstek bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel Paneel rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting Peil voor gebouwen waarvan de toegang onmiddelijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld Penant gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen Pilaster weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen Plaatmateriaal bouwmateriaal dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (onder andere trespa) of staal (vlak of met profiel) Planmatige bebouwing groep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld plan Plint een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw Portiek gemeenschappelijk trappenhuis Profiel omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan Profilering aangebrachte vorm en maatvoering van profiel Pyramidedak dak bestaande uit vier gelijk hellende vlakken die elkaar bovenaan in een punt ontmoeten Raamdorpel horizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd Raamhout hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post Referentiekader het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden Reguliere bouwvergunning bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid van de woningwet Renovatie vernieuwing van een gebouw Rijtjeshuis huis als onderdeel van een reeks aaneengebouwde, gelijkende woningen Risaliet gevelvoorsprong, vooruitspringende partij van een bouwlichaam, meestal in het midden of op de hoeken Ritmiek regelmatige herhaling Rollaag horizontale rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand Rooilijn lijn die de grens aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden Sanering herinrichting door middel van sloop en vervangende nieuwbouw Schilddak dak met vier hellende vlakken waarvan twee grote en twee kleine vlakken Schuur bijgebouw ten behoeve van opslag Situering de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving Slopen het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan Speklaag lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen Stads- en dorpsvernieuwing maatregelen voor de verbetering of vervanging van bebouwing en de openbare ruimte daaromheen Stijl architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming Strookramen horizontaal raam met onderverdeling, veelal net zo breed als de gevel Tent-, punt- of piramidedak dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen. Textuur de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk) Tympaan driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan Uitbouw een gebouw(deel) dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw maar tot doel heeft een bestaande ruimte te vergroten. Er is bouwkundige en functionele samenhang Verdieping bouwlaag Volant strook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies Voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk Voorgevelrooilijn voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening Voorkant de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voorzover die zijde direct grenst aan de weg of openbaar groen Weg weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 Windveer plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen Woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding. Wolfseind meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft Zadeldak dak met twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen Zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk Overzicht rijksmonumenten Benedenrijweg 7 Benedenrijweg naast nr. 7 Benedenrijweg 9 Benedenrijweg 13 Benedenrijweg 66-88 Benedenrijweg 67 Benedenrijweg 69 Benedenrijweg 71 Benedenrijweg 461 Kerksingel 1 Kerksingel 1 Kerksingel 2-3 Kerksingel 4 Kerksingel 6 Kerksingel 10-11 Kerksingel 12 Kerksingel 13 Kerksingel 15 Kerksingel 18 Kerksingel 19-20 Kerksingel 21 Kerksingel 27 Kerksingel 28 Kerksingel 114 Kerksingel 114 Krommeweg 1 Lagendijk 60 Lagendijk 78 Lagendijk 88 Lagendijk 101-103 Noldijk 41a Pruimendijk 1 Pruimendijk 146 Rijksstraatweg 43 Rijksstraatweg 65 Rijksstraatweg 67 Ringdijk 210-212 Ringdijk 402-404 Ringdijk 466 Voorweg 2 Waalweg 11 Waalweg 39 Waalweg 47 Overzicht gemeentelijke monumenten Boezemkade 22-40 Bosstraat 1-21 Damweg 10 Damweg 40-42 Donckselaan 12-30 Donckselaan 1-31 Donckselaan 10a Havenhoofd 3 Havenstraat 55 Kerksingel 9 Kerksingel 26 Kievietsweg 2-24 Lagendijk 124 Lagendijk ongenummerd Pruimendijk 172 Pruimendijk 184 Ringdijk 258 Ringdijk 444 Ringdijk t.h.v. Dijkje Rijksstraatweg 50 Rijksstraatweg 62 Rijksstraatweg 66 Rijksstraatweg 137 Rijksstraatweg 169 Sint Jorisstraat 7 Waaldijk 5a Westmolendijk 2 Westmolendijk 8 A Acaciastraat 9 Graaf Adolfstraat 9 Ir. Albardastraat 9 Gerard Alewijnszstraat 14 Alexanderstraat 8 Ds. Allendorpstraat 5 Van Alphenstraat 10 Amaliastraat 8 Ambachtsepad 5 Ambachtshof 8 Amerstraat 10 Anjerstraat 9 Ankerplaats 11 Van Anrooystraat 9 Azaleastraat 9 B Johann Sebastian Bachstraat 9/10 J.C. de Backstraat 14 Prinses Beatrixstraat 8/9 Van Beethovenstraat 12 Nicolaas Beetslaan 9 Begoniastraat 9 Beiersestraat 9 Bellamystraat 9 Benedenrijweg 2 Berliozstraat 12 Prins Bernhardstraat 8 Beukenhof 9 Bilderdijklaan 9 Bizetstraat 10 Blaak 7 Blauwbloemstraat 14 Bliek 10 Bloemenstraat 9 Boekweitstraat 14 Boelewerf 16 Boerhaavestraat 11 Boezemkade 14 Boezemstraat 8 Boksdoornstraat 11 Bolnesserkade 18 Ferdinand Bolstraat 9 Bosstraat 8 Bothastraat 8 Botlekstraat 10 Bourgondischelaan 9 Boutensstraat 9 Brahmsstraat 10 Brasem 10 Brederodestraat 9 Van den Broekstraat 9 Brouwerstraat 16 Brucknerstraat 9/10 Van der Brugghenstraat 9 Anna Bijnsstraat C Jacob Catsstraat 9/16 Chopinstraat 10 Churchillplein 8 Prins Clausstraat 8 Louise de Colignylaan 9 Dr. Colijnstraat 9 Margriete van Comenestraat 9 Da Costalaan 9 Couperusstraat 9 Burg. Crezeestr 9 Crocusstraat 9 Cronjeplein 8 Albert Cuypstraat 9 D Dahliastraat 9 Damstraat 6 Damweg 6 Dennenstraat 9 Diepenbrockstraat 10/12 Dierensteinweg 19 Dillenburgplein 9 Dintelstraat 9 Graaf Dirkstraat 9 Dokhof 11 Dokwerkerstraat 16 Dolfijnpark 11 Donckselaan 8/18 Doncksestraat 8 Donkerslootsedijk 16 Donkerslootweg 9/11/16 Dopperstraat 10 Gerard Doustraat 9 Dwarsstraat 9 Dijkje 8 E Van Eedenstraat 9 Eemhof 10 Eikendreef 9/18 Electropark 8 Electroplantsoen 8 Electrostraat 8 Emmastraat 8 Erasmuslaan 11 Erasmuspark 11 Ericastraat 9 F Fazant 10 Feithstraat 9 Govert Flinckstraat 9 Govert Flohilstraat 14 Graaf Florisstraat 9 Forel 10 Fresiastraat 9 Jan Willem Frisostraat 9 Burg. D. Gaaij Fortmanstraat 9 G Gebroken Meeldijk 5 Geerlaan 9/18 Ds. Caspar van Gendtstraat 9 De Genestetstraat 9 Gieterijstraat 15 Gildenweg 15/16 Glasblazerstraat 16 Gorzenweg 18 Goudenregenlaan 9/12 Goudenregenplantsoen 12 Goudsbloemstraat 9 Gouwestraat 10 Grevelingenhof 10 Groen van Prinstererweg 9/18 Jhr. Groeninx van Zoelenstraat 8 Hugo de Groothof 11 Hugo de Grootlaan 11 H Frans Halsstraat 9 Handelstraat 12 Handelsweg 15 Haringvliethof 10 Haven 16/18 Havenhoofd 6 Havenkade 16 Havenkanaal 16 Havenstraat 16 Mr. Heemskerkstraat 9 Hellingbaan 11 Prins Hendrikstraat 8/9 Henegouwsestraat 9 Heijermansstraat 9 Hobbemastraat 9 Van 't Hoffstraat 11 Hogeweg 19 Hollandsestraat 9 Pieter de Hoochstraat 9 P.C. Hooftstraat 9/16 Hoogzandweg 19 Graaf Van Hoornestraat 9 Hortensiastraat 9 Mr. van Houtenstraat 9 Houtstraat 16 Houtzaagmolen 10 Hovystraat 9 Huizingastraat 11 Huygensplantsoen 9 I Industrieweg 16 Prinses Irenestraat 8/9 Irisstraat 9 J Aletta Jacobsstraat 11 Graaf Janstraat 8/9 Jasmijnstraat 9/12 A.M. de Jongstraat 9 Sint Jorisplein 7 Sint Jorisstraat 1 Joubertstraat tussen Dijkje/Paul Krugerstraat 8 tussen Paul Krugerstraat/Boezemkade 9 tussen Boezemkade/Wilhelminastraat 11 Julianastraat tussen Joubertstraat/Dwarsstraat 8 tussen Dwarsstraat/Benedenrijweg 9 tussen Majubastraat/Joubertstraat 11 K Kaartenmakerstraat 15 Kamerlingh Onnesstraat 11 Kamperfoeliestraat 9 Jhr. van Karnebeekweg 9/18 Karper 10 Kastanjelaan 15 Klaas Katerstraat tussen Raadhuisplein/Schoutstraat 7 tussen Koninginneweg/Talmastraat 9 tussen Talmastraat/Dr Kuyperstraat 10 tussen Schoutstraat/Dr Kuyperstraat 11 Kerkpad 1 Kerksingel 1 Kerksteeg 1 Kerkweg 4 Mr. Kesperweg 9 Keurmeesterstraat 16 Kievitsweg tussen ringdijk en Randweg 4 tussen Randweg en Rijnsingel 19 Klompenmakerstraat 16 Klooslaan 9/12 Kloosplantsoen 12 Kolenbranderstraat 16 Koninginneweg 9 Koningsplein 7 Koolmees 10 Korhoen 10 Krammerhof 10 Krommeweg 19 Paul Krugerstraat 8/9 Kruisweg 18/19 Burg. Kruijffstraat 4/9 Dr. Kuyperstraat 9/10 L Jacob van der Laanstraat 14 Laantje 16 Lagendijk 3/5 Willem Landrestraat 10/12 Langeweg 19 Leeghwaterstraat 11 Leerlooierstraat 16 Van Leeuwenhoekhof 11 Van Leeuwenhoekstraat 11 Leidekkerstraat 16 Leklaan 10 Dr. Ir. Lelystraat 9 Van Lennepstraat 9 Leopoldstraat 9 Lierenstraat 16 Lingestraat 10 Linnenstraat 5 Graaf Lodewijkstraat 8 Lohmanpark 9 Loodspad 11 Lorentzstraat 11 Jan Luykenstraat 9 Lijster 10 M Maaslaan 9 Baron Mackaystraat 9 Majubastraat 8 Mandenmakerstraat 16 Herman De Manstraat 9 Prinses Margrietstraat 8/9 Gerrit Maritzstraat 9 Markstraat 9 Marnixstraat 8 Marsmanstraat 9 Prinses Marijkestraat 9 Mauritshoek 14 Mauritsstraat 14 Mauritsweg 5 Mecklenburgstraat 9 Meerkoet 10 Meidoornlaan 9 Mendelssohnstraat 10 Merel 10 De Merodelaan 9 Merwedestraat 10 Burg. Metmanstraat 9 Middenmolendijk 2 Christine Mohrmannstraat 11 Molensteeg 2 Molenvliet 10 Mozartstraat 12 Multatulistraat 9 N Nassaustraat 8/9 Natalstraat 9 Burg. Nieuwenhuisenplein 9 Nikkelstraat 16 Noldijk 5 Noordeinde 19 Noordenweg 16 Noordmansplantsoen 11 Noordmansstraat 11 Noordstraat 10 Nijverheidstraat 16 O Jacob Obrechtstraat 12 Olmenlaan 9 Oosterparkweg 15/18 Oostmolendijk 2/19 Oranjestraat 8/9 Adriaen van Ostadestraat 9 Oudaenstraat 9 Oudelande 19 Oudelandseweg 3/9/19 P Paltrokmolen 10 Parallelweg 19 Patrijs 10 Anna Paulownastraat 9 Pelikaan 10 Perkstraat 9 Mr. Piersonstraat 9 Platanenstraat 9/12 Poesiatstraat 9 Pontonweg 11 Populierenlaan tussen Kastanjelaan/Hogeweg 12 langs Kastanjelaan 15 tussen Rotterdamseweg/Burg. de Zeeuwstraat 18 Potgieterstraat 9 Pottenbakkerstraat 16 Paulus Potterstraat 9 Pretoriusstraat 9 Prinsenstraat 9 Pruimendijk 5/19 Prunuslaan 9 Prunusplantsoen 12 Willem Pijperstraat 10 R Raadhuisplein 7 Randweg 10/18 Ravelstraat 10 Reggestraat 10 Rembrandtweg 9 Retiefstraat 9 Reijerweg zuidzijde 9 tussen Prins Bernardstraat/Ringdijk 10 tussen Kievitsweg/Prins Benardstraat 12 De la Reijstraat tussen Dijkje/Boezemstraat 8 tussen Boezemstraat/Rijnsingel noordzijde 9 tussen Vechtstraat/Rijnsingel zuidzijde 11 Ridderhaven 16 Ridderhof 7 Ridderpoort 16 Ridderstraat 7 Van Riebeekstraat 9 Rietdekkerstraat 16 Rietvink 10 Ringdijk 2 Roerdomp 10 Roggestraat 14 Rosmolen 10 Rotterdamseweg tussen Ringdijk/Gildeweg 15 tussen Gildeweg/Industrieweg 16 tussen Industrieweg/Oostmolendijk 18 tussen Oostmolendijk/Rijksweg 15 19 tussen Donckselaan en Randweg 19 Ruwaardlaan 9 Rijksstraatweg 5/11/13/19 Rijksweg 15 19 Rijksweg 16 19 Rijnsingel tussen Markstraat/ringdijk 9 tussen Reggestraat/Amer 10 tussen Kievitsweg/Markstraat 12 Rijsoordsestraat 5 S Sandelingeweg 13 Jhr. D. Savornin Lohmanstraat 9/18 Schaapherderweg 15 Dr. Schaepmanstraat 9 Schalksedijkje 13 De Schans 16 Scheepmakerstraat 16 Scheldeplein 10 Schepenstraat 1 Schiestraat 10 Schoutstraat 7 Schrijnwerkerstraat 16 Schubertstraat 12 Van Schuurmanstraat 11 Seringenplantsoen 12 Seringenstraat 9 Ds. Sikkelstraat 9 Slauerhoffstraat 9 Sleedoornlaan 9 Ds. Sleeswijk Visserstraat 4 Slingehof 10 Slotemaker de Bruinestraat 9 Generaal Smutsstraat 9 Sophiastraat 8/9 Spinozastraat 11 Sportlaan 9/18 Spuistraat 12 Staalstraat 16 Stadhouderslaan 9 Staringlaan 9 Steenhouwerstraat 16 Jan Steenstraat 9 Steur 10 Stevinstraat 11 Steijnstraat 9 Juliana van Stolbergstraat 8/9 Strevelszicht 5 Swammerdamstraat 11 Sweelinckstraat 10/12 T Talmastraat 9/10 Tarbot 10 Tarwestraat 14 Tegelpad 8/9 Gerard Terborghstraat 9 Mr. Thorbeckestraat 9 Tinstraat 16 Tollensstraat 9 Torenmolen 10 Touwslagerstraat 16 Transvaalstraat 9 Mr. Treubstraat 9 Mr. Troelstrastraat 9 V Valkenierstraat 16 Vechtstraat 10 Verbindingsweg 19 Verdistraat 10 Veren Ambachtseweg 15 Verlengde Kerkweg 4/7 Johannes Vermeerstraat 9 Dr. De Visserstraat 9 Visvliet 10 Vivaldistraat 12 Vlasstraat 14/18 Vlietlaan 10 Vlietplein 10 Vogelkersstraat 9 Vogelvliet 10 Volkerakhof 10 Vondellaan 9 Voorn 10 Voorweg 19 Voorzand 16 Vosmaerstraat 9 Vuurdoornlaan 9 W Waaldijk 5 Van Der Waalsstraat 11 Waalweg 19 Wagenmakerstraat 16 Waldeck Pyrmontstraat 9 Watermolen 10 Burg. Van De Wayfortstraat 9 Werfkade 11 Westerhof 10 Westmolendijk 2 De Wetstraat 9 Clara Wichmannstraat 11 Wilhelminastraat 8 Willemstraat 8/9 Windmolen 10 Witbloemstraat 14 Wolweverstraat 15 IJ IJsselmondse Randweg 19 IJsselstraat 10 IJzerstraat 16 Z Zadelmakerstraat 16 Zalm 10 Zeemanstraat 11 Burg. De Zeeuwstraat 9 Zevenbergsedijkje 19 Zinkstraat 16 ‘t Zwaantje 5 Zwaluw 10 Bernhard Zweersstraat 10 Willem De Zwijgerstraat 9 De welstandsnota Ridderkerk maakt onderdeel uit van de opdracht voor het ontwikkelen van het welstandsbeleid voor Oost-IJsselmonde. Naast de Beeldkwaliteitsvisie Oost-IJsselmonde is er vanuit deze regionale samenwerking voor elke gemeente (de gemeenten Hendrik-Ido-Ambacht, Ridderkerk en Zwijndrecht) een welstandsnota gemaakt. In opdracht van: gemeente Hendrik-Ido-Ambacht gemeente Ridderkerk gemeente Zwijndrecht Met medewerking van: stichting Dorp, Stad en Land Samengesteld door: Architectenwerk Twan Jütte

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel