1 Burgemeester en wethouders kunnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in artikel 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.
2 Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen:
a zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel
b zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden buiten de in die aanwijzing aangeduide en als zodanig gemarkeerde paden; dan wel
c zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.
3 Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden.
a ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 58 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten;
b die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen;
c die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen;
e voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen.
4 Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:
a op primaire en secundaire wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994;
b op wegen die krachtens de Wet van 14 mei 1981, Stb. 287, voor motorrijtuigen of categorieën daarvan gesloten zijn verklaard;
c op wegen gelegen binnen de krachtens de provinciale 'Verordening verkeersbeperking ter bescherming van de natuur' aangewezen natuurgebieden;
d binnen de bij of krachtens de provinciale 'Verordening stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.
5 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
HOOFDSTUK 5 › Afdeling 4
Artikel 5.4.2
Beperking verkeer in natuurgebieden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Ridderkerk 2001