In deze verordeningwordt verstaan onder a. speelautomaat:
een toestel ingericht voor de beoefeninq van een spel, dat bestaat uit een door,de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;
behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan;
het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde spelduur of het recht op gratis spelen en
het proces, ook nadat het in werkinq is gesteld, door de speler kan worden beinvloed en het geheel of vrijwel qeheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe qeboden middelen afhanqt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt;
kansspelautomaat:
een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is;
d.vergunning:
de in artikel 30b van de wet bedoelde vergunning voor het aanwezig hebben van één of meer speelautomaten (aanwezigheidsvergunning);
e.ondernemer/vergunninghouder;
de natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert als bedoeld in artikel 30c lid a of b van de wet;
inrichting:
een inrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of c van de Drank- en Horecawet, indien daarvoor ingevolge die wet vergunning is verleend en deze nog van kracht is:
een inrichting, waarvan de ondernemer inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca;
laagdrempelige inrichting:
een inrichting die het publiek niet in de eerste plaats pleegt te bezoeken voor het nuttigen van alcoholhoudende drank en maaltijden ter plaatse, maar voor andere doeleinden zoals bijvoorbeeld recreatie, sport en het kopen en nuttigen van etenswaren anders dan in een restaurantbedrijf;
h.hoogdrempelige inrichting:
elke inrichting die niet voldoet aan de omschrijving van een inrichting, genoemd onder g.