Behoudens artikel 2, derde lid van deze verordening legt het college, met in achtneming van artikel 20 eerste lid van de wet, blijvend een verlaging op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren dan wel had kunnen verwerven indien:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
De hoogte van de verlaging/weigering is gelijk aan het door dit gedrag verloren netto inkomen.
Hoofdstuk
Artikel 11
Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ gemeente Venlo