De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.
In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald en voor zover de ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de verwijtbare gedraging komt te liggen.
Daar waar mogelijk is de periode van verlaging van de uitkering gekoppeld aan de periode gedurende welke de belanghebbende de aan hem opgelegde verplichtingen, verwijtbaar niet nakomt. De duur van de verlaging bedraagt echter minimaal de termijnen die in de hoofdstukken 3 tot en met 6 vermeld staan.
Indien de belanghebbende, binnen 12 maanden nadat de verwijtbare gedraging zich heeft voorgedaan, wederom zijn verplichtingen verwijtbaar niet nakomt, worden de minimale termijnen waaraan in het derde lid wordt gerefereerd en welke in de hoofdstukken 3 tot en met 6 vermeld staan verdubbeld.
Indien de belanghebbende, binnen 12 maanden nadat de laatst verwijtbare gedraging zich heeft voorgedaan en op grond van het vierde lid de termijn al werd verdubbeld, wederom zijn verplichtingen verwijtbaar niet nakomt, wordt de laatst vastgestelde termijn verdubbeld.
Hoofdstuk
Artikel 7
Ingangsdatum, tijdvak en recidive
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ gemeente Venlo