Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt, met
uitzondering van wat in lid 3 staat vermeld, een verlaging
toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de
belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
recht heeft op bijstand.
Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging als
bedoeld in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld:
10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
periode van 3 maanden of korter;
50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
periode van 3 tot 6 maanden;
100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een
periode van 6 maanden en langer.
In afwijking van lid 1 en lid 2 bedraagt de verlaging bij het
onverantwoord interen van vermogen:
0% bij een benadelingbedrag tussen € 0,00 en €
1.000,00;
20% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het
benadelingbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
1.000,00 maar minder bedraagt dan € 2.000,00;
50% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het
benadelingbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
2.000,00.
Hoofdstuk
Artikel 14
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wwb 2007