Het college ziet af van verlaging indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die
gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
bijstand is verleend. Een verlaging wegens schending van
de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van
5 jaren nadat de betreffende gedraging heeft
plaatsgevonden.
Het college kan afzien van verlaging indien het daarvoor
dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college afziet van verlaging op grond van dringende
redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
gedaan.
Hoofdstuk
Artikel 5
Afzien van verlaging van de bijstand
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wwb 2007