1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.
2. In deze verordening wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en bijstand.
b. referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.
c. peildatum: de datum waarop het recht op de langdurigheidstoeslag is ontstaan.
d. inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat
voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen gezien.
e. bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onder c. van de wet inclusief de
maximale toeslag als bedoeld in artikel 25 lid 2 van de wet.
f. WSF 2000: Wet Studiefinanciering.
g. WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
h. geen middelen: niet tot de middelen van belanghebbende worden gerekend de
middelen als genoemd in artikel 31, tweede lid WWB.