Burgemeester en wethouders doen tenminste éénmaal per (twee) jaar aan de
raad verslag omtrent hetgeen zij hebben verricht ter uitvoering van
artikel 30 van de wet. Zij leggen daarbij over de
verslagen die door de archivaris aan hen zijn uitgebracht in verband met
het beheer en het toezicht, bedoeld in de artikelen 15 en 21.