In deze afdeling wordt verstaan onder:
afzetten: het afzagen van een stam tot op het maaiveld, met het oogmerk dat de boom zich weer hersteld;
boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
bos(je): samenhangende houtopstand bestaande uit tenminste tien bomen;
dunnen: het volledig verwijderen van bomen, heesters of struiken om de overblijvende planten meer ruimte te geven;
houtopstand: hakhout, houtsingel, houtwal of een of meer bomen;
houtsingel: een buiten de bebouwde kom gelegen zelfstandige beplantingseenheid bestaande uit een bomen- en of struikenrij langs een beek of sloot of langs perceelscheidingen;
houtwal: een houtsingel of houtkant op een verhoogde plaats langs een beek, sloot of perceelscheiding;
regulier onderhoud:
bij individuele bomen of struiken: snoeien of terugzetten, waarbij maximaal 20% van de kruin wordt verwijderd;
bij een bosje, houtwal, houtsingel of houtwal: het rooien, afzetten of dunnen van bomen, heesters of struiken tot een maximum van 30% van het totale bosje, houtwal, houtsingel of houtwal, zonder dat daardoor het oorspronkelijke of beoogde verschijningsbeeld ernstig wordt aangetast;
rooien: planten met wortelkluit uit de grond halen;
snoeien: het wegnemen van overtollige knoppen, scheuten, sporen of vruchten om overlading te voorkomen en om de grootte en kwaliteit van de boom of struik te verbeteren;
terugzetten: het terugknippen (of zagen) tot op een lagerstaande zijtak;
vellen: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben, met uitzondering van regulier onderhoud.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 4
Artikel 4:9
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Opsterland 2010