Aan de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (waaronder de beslissing betreffende de bomenrooilijst) kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorwaarden mogen slechts strekken tot bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Het bevoegd gezag kan in elk geval aan een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden en de bomenrooilijst het voorschrift verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant. Als sprake is van een monumentale boom of een beeldbepalende boom wordt altijd een herplantplicht opgelegd.
Wordt een voorschrift als bedoeld in het tweede lid aan de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden en de bomenrooilijst verbonden, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze een niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
Aan een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden, waaronder de bomenrooilijst wordt altijd het voorschrift verbonden dat van de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden en de bomenrooilijst pas gebruik mag worden gemaakt:
nadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6.7 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken zonder dat een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8.81 van die wet is ingediend; dan wel
nadat binnen de onder a. bedoelde termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend en op dit verzoek afwijzend is beslist.
In het kader van een herplant of instandhoudingplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 20 centimeter dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld.
Het bevoegd gezag kan, indien er sprake is van een spoedeisend belang, afwijken van het bepaalde in het vierde lid.