Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de vergunning, als bedoeld in
artikel 2.3.5.2, eerste lid, intrekken indien:
de exploitant of de beheerder niet langer voldoet aan het in artikel 2.3.5.4 onder a en b bepaalde;
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming zal zijn;
zich in de speelgelegenheid feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde en veiligheid wordt verstoord of benadeeld door de aanwezigheid van de speelgelegenheid;
de exploitant het in artikel 2.3.5.6 gestelde niet of onvoldoende nakomt;
de exploitant het toezicht op de naleving van het in deze paragraaf bepaalde belemmert.
Hoofdstuk › Afdeling 2a › Paragraaf 5
Artikel 2.3.5.8
Intrekkingsgronden
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening (Apv) (versie 10a)