Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 4

Artikel 2.4.17

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening (Apv) (versie 10a)

1.. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen. 2.. Het college kan wegen of terreinen aanwijzen waarvoor de in het eerste lid gestelde verboden niet of niet geheel gelden. 3.. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond doet begeleiden, de hond als zodanig gekwalificeerd is en het voor de begeleiding dringend gewenst is dat de hond niet aangelijnd is. 4.. Het in het derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar of houder van een hond die gekwalificeerd is een hond tot geleidehond op te leiden. 5.. Het in het tweede lid bepaalde geldt, voor wat betreft door het college aangewezen plaatsen, niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond doet begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Rechtspraak bij dit artikel