Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4 › Afdeling 2 › Paragraaf 5

Artikel 4.2.5.1

Zwerfafval en afvaldumping

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening (Apv) (versie 14)

1. Het is verboden buiten een daarvoor door het college aangewezen plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot nadelige gevolgen voor het milieu. 2. Het verbod is niet van toepassing op het overeenkomstig deze afdeling ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen en op het thuis compos-teren van groente-, fruit- en tuinafval. 3. Het verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit Bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu. 4. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel 4.2.5.2 Straatafval 1. Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden en dergelijke. 2. Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in de voorgeschreven bakken, manden en dergelijke. Artikel 4.2.5.3 Ter inzameling gereed staande afvalstoffen 1. Voor anderen dan de inzameldienst, andere inzamelaars, toezichthouders en opsporings-ambtenaren is het verboden huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen alsmede de daartoe gebruikte inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen die ter inzameling gereed staan, te doorzoeken of mee te nemen. 2. Het is verboden tegen afvalstoffen, inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen die ter inzameling gereed staan, te stoten, te schoppen, deze omver te werpen of anderszins te behandelen waardoor er zwerfafva l ontstaat. Artikel 4.2.5.4 Afvalbakken inrichtingen voor eet- en drinkwaren De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: a. een afvalbak of soortgelijk inzamelmiddel in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten; b. zorg te dragen dat dit inzamelmiddel van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat dit inzamelmiddel steeds tijdig wordt geleegd; c. zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting en overigens  terstond op eerste aanzegging van een toezichthouder als bedoeld in artikel 4.2.7.2, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd. Artikel 4.2.5.5 Reclamebiljetten en ander promotiemateriaal Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze biljetten of dit materiaal of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien deze/dit in de omgeving van de plaats van verspreiding op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats worden/ wordt weggeworpen. Artikel 4.2.5.6 Vervoeren, laden, lossen, andere werkzaamheden 1. Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te vervoeren, te laden, te lossen of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan. 2. Indien bij de in het eerste lid bedoelde activiteiten de weg is verontreinigd of nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan, is degene die de activiteiten verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht de weg te reinigen of te laten reinigen respectievelijk de nadelige gevolgen voor het milieu ongedaan te maken: a. direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van de weg oplevert; b. direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van de weg oplevert; c. elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden indien de werkzaamheden langer dan een dag duren; d. zo spoedig mogelijk na het ontstaan van de nadelige gevolgen voor het milieu.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel