Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 2

Voorwaarden en beperkingen

Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zeist 2011

Lid 1 Ad a Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de verordening Wvg en aan de Wmo aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan om een aantal maanden gaan bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. In de regel wordt een termijn van langer dan 6 maanden gezien als zijnde een termijn waarop men een voorziening langdurig nodig heeft. Dit heeft onder andere te maken met de maximale gratis uitleen van hulpmiddelen. Kenmerk is daarbij ook dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties, zogenaamde uitleenconstructie, die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen. Deze periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Ad b Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven. De medisch adviseur kan bijvoorbeeld een aangevraagde voorziening als anti-revaliderend beschouwen, waarbij uiteindelijk de voorziening als niet compenserend voor de aanvrager beschouwd wordt. Hoewel datgene wat de aanvrager als compenserend beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het compenserend zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling. Het gaat immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer compenserend maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. Vanuit jurisprudentie (CRvB 08/1600 Wmo, 28-10-2009) wordt echter wel gesteld dat de gemeente naast de beoordeling van goedkoopst ‘compenserend’ ook mee moet wegen dat vanuit artikel 4 Wmo de persoon met beperkingen recht heeft op een voorziening die in zijn/haar ‘individuele situatie’ kan worden aangemerkt als compensatie. Bijv. in veel gemeenten is er sprake van de regiotaxipas (collectief vervoer), echter er zijn ook personen die een eigen auto bezitten. Het collectief vervoer kan dan als goedkoopst compenserend beschouwd worden, maar bij iemand met een eigen auto rijst dan de vraag of deze compensatie wel de zelfredzaamheid bevordert. In de gevallen waarbij er dus meer dan één voorziening als compensatie voor de vastgestelde beperking kan worden aangemerkt, mogen wij volgens de uitspraak uitgaan van het recht op de goedkoopste ‘compenserende’ voorziening. Ad c Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. Dit staat weer los van de mogelijkheid om binnen bepaalde grenzen en omstandigheden een algemene voorziening te treffen. Lid 2 Ad a Dit lid komt overeen met het gestelde in artikel 2 Wmo. De Wmo beslaat het terrein van de maatschappelijke ondersteuning waarbij ervoor gekozen is dat de gemeente in beginsel een grote vrijheid heeft om lokaal invulling te geven en prioriteiten te stellen. Er zijn echter terreinen waar de overheid ervoor kiest of heeft gekozen om specifieke wettelijke maatregelen te treffen. In die situaties gaan die specifieke wettelijke maatregelen voor. Op dit moment valt te denken aan de AWBZ, de Zorgverzekeringswet, de Wet op de jeugdzorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de verschillende wetten die het "rugzakje" (leerlinggebonden financiering) in het onderwijs mogelijk maken. Dat andere wetten voorgaan, komt in dit artikel tot uitdrukking. Er is niet gekozen voor een limitatieve opsomming van die andere wetten, omdat dat van tijd tot tijd kan verschillen. Concreet betekent dit dat als de Wmo oproept een bepaalde voorziening aan te bieden, de kosten hiervan niet kunnen worden vergoed op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). Een complex maar concreet voorbeeld binnen het werkterrein van de Wmo, maar ook de AWBZ, is de rolstoelvoorziening. Voor iemand die incidenteel (minder dan 1 keer per week) een rolstoel nodig heeft, geldt de leenrolstoel van de thuiszorgwinkel als voorliggende voorziening. Als deze persoon in een AWBZ-instelling woont, heeft hij daarnaast soms ook de mogelijkheid om een rolstoel van de instelling te gebruiken. Voor personen die permanent een rolstoel nodig hebben, geldt de AWBZ-rolstoel als voorliggend als de betreffende persoon in een AWBZ-instelling woont en behandeld wordt. Een voorbeeld van een dergelijke instelling is het verpleegtehuis. Uitzondering hierop zijn de instellingen waar geen specifieke behandeling plaatsvindt op het gebied van beperkingen aan het bewegingsapparaat. Een persoon die blind is en op Bartiméus woont en wordt behandeld kan dus wel een rolstoel via de Wmo krijgen. Personen die alleen binnen een AWBZ-instelling wonen en daar niet behandeld worden, kunnen ook bij de Wmo terecht voor een rolstoel. Ad b Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al tientallen jaren gehanteerd in de sociale wetgeving en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel 1, onder a van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de (financiële) situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Vooral die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager, mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers niet nodig zijn geweest. Ad c In de wet is geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 Wmo spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet worden opgenomen in de verordening om te voorkomen dat er aanvragen behandeld moeten worden bij gemeenten waar de aanvrager niet woonachtig is. Het begrip “woonachtig” wordt nader gedefinieerd onder artikel 1 onder w. Ad d Er zijn gevallen waarin mensen al jarenlang bepaalde voorzieningen gebruiken, maar deze voorzieningen aanvragen op het moment dat er een beperking is op getreden. In die gevallen zijn er voor deze mensen geen meerkosten ten opzichte van de tijd dat er nog geen beperkingen waren. Ad e Hier wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening gerealiseerd of aangekocht heeft, voordat het college een besluit heeft genomen. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken en ook geen invloed heeft op de te verstrekken voorziening, bestaat in deze situatie geen recht op de voorziening. Bijvoorbeeld, nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. Pas nadat advies is verkregen, de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest compenserend is en nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de aanvrager al is verhuisd, met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst betreffende de te betrekken woning. Ad f Onder f wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die al eerder heeft plaatsgehad, terwijl de aanvrager het middel verwijtbaar verloren heeft laten gaan. Dit bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid en niet als de aanvrager geen schuld treft. Als een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Als in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Als bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 3 Omtrent de voorziening hulp bij het huishouden, geregeld in hoofdstuk 3 van deze verordening, kan vastgesteld worden dat niet alle voorgaande voorwaarden van toepassing zijn. De criteria gesteld onder artikel 2 lid 1 onder b “langdurig noodzakelijk” en c “goedkoopst compenserend” zijn voor het recht op hulp bij het huishouden niet van toepassing. Het begrip “langdurig noodzakelijk” is niet van toepassing als iemand een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig heeft, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel