Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan een jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 van de wetten inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte uitkering is verstrekt.
Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.