De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet, bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.
De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet, bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met tenminste één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel bedraagt de toeslag bedoeld in artikel 30 eerste lid, van de wet, 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande hulpbehoevende alsmede voor de jongere die tezamen met een hulpbehoevende in een woning zijn hoofdverblijf heeft.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel bedraagt de toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet, 20 procent voor de jongere bij medebewoning van uitsluitend een niet-rechthebbende echtgenoot als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de wet.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid en het vierde lid van dit artikel bedraagt de toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet, 0 procent van de gehuwdennorm voor de jongere bij medebewoning van uitsluitend een niet-rechthebbende echtgenoot als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de wet, als die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.