**1..** Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 lid 1 vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de beperkingen
het gebruik van het openbaar vervoer of
het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.
**2..** Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening onder artikel 5.1 lid 2 a tot en met e en lid 4 vermeld in aanmerking komen wanneer
aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel
een collectief systeem niet aanwezig is.
**3..** (vervallen per 1-10-2008)
**4..** Voor de bij artikel 5.1, lid 2 onder c en f, artikel 5.1 lid 3 a en b en artikel 5.1 lid 4 genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief vervoersysteem verstrekt kunnen worden.
**5..** Voor de bij artikel 5.1 lid 3 onder a en b genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto of gebruik van een taxi of rolstoeltaxi verstrekt kunnen worden.
**6..** Voor een tegemoetkoming in het gebruik van een ander verplaatsingmiddel buitenshuis geldt dat deze ook in aanvulling op het gebruik van een taxi of rolstoeltaxi verstrekt kan worden.
**7..** Voor zover de behoeften van echtgenoten of samenwonende gezinsleden niet samenvallen, wordt niet meer dan 1,5 keer een enkele vergoeding toegekend. Bij verschillende vergoedingen wordt per persoon met beperkingen maximaal 75 % van de vergoeding toegekend.
**8..** Indien het inkomen meer bedraagt dan 150% van het norminkomen, wordt geen financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 onder a, c en e en in artikel 5.1 lid 4 verstrekt.
**9..** Indien het inkomen meer bedraagt dan 150% van het norminkomen wordt geen vervoersvoorziening in de vorm van een, al dan niet aangepaste bruikleenauto verstrekt.
**10..** Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, en het bezoek noodzakelijk is voor de persoon met beperkingen om vereenzaming te voorkomen.