**1..** In de in artikel 7 genoemde vastlegging worden ten hoogste de volgende persoonsgegevens opgenomen:
gebruikersidentificatie, naam, voornaam of voorletters van de betrokkene;
naam en/of codering van de sector/eenheid, afdeling/bureau waaronder de betrokkene valt;
gegevens over de toegang tot internet die door de gemeente is geboden aan de betrokkene, inclusief gebruikersnaam, e-mailadres en internet Protocoladres;
gegevens betreffende de datum en het tijdstip van het openen en sluiten van de toegang tot internet door de betrokkene en gegevens betreffende de datum en het tijdstip van het verzenden, dan wel ontvangen van e-mailberichten door de betrokkene;
gegevens, inclusief datum en tijdstip, betreffende de door de betrokkene bezochte internetsites (internet Protocoladressen en (de onderdelen van) de webpagina’s);
de inhoud van de door de betrokkene verzonden, dan wel ontvangen e-mailberichten.
**2..** Indien er een redelijk vermoeden bestaat van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen door betrokkene, kan door de verantwoordelijke en/of (leden van) het directieteam opdracht worden gegeven om de in het eerste lid, sub e en/of sub f van dit artikel bedoelde gegevens vast te leggen en te verstrekken aan de personen bedoeld in artikel 10.
**3..** Vastlegging -behoudens de normale bedrijfsmatige geautomatiseerde vastlegging- en verstrekking van de gegevens zoals bedoeld in het eerste lid sub f van dit artikel van leden van het bedrijfsmaatschappelijk werk is in beginsel niet toegestaan voor zover het de werkzaamheden in het kader van het bedrijfsmaatschappelijk werk betreft, met dien verstande dat wel mag worden overgegaan tot vastlegging en verstrekking indien dit noodzakelijk is om, bij een redelijk vermoeden van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen door betrokkene(n), zulks te kunnen onderzoeken. Onder noodzakelijk wordt in dit verband verstaan dat er geen ander middel of methode (meer) voorhanden is om het redelijk vermoeden van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen te kunnen onderzoeken (noodzakelijkheidsvereiste).