De termijn van 12 maanden, genoemd in het tweede lid, is feitelijk de enige omstandigheid waarbij in ieder geval tot intrekking wordt overgegaan. Omdat de gemeente geacht wordt een geïndiceerde binnen 12 maanden een dienstbetrekking aan te bieden, past het niet dat de geïndiceerde deze hele tijd niet beschikbaar is voor werk.
De andere twee omstandigheden laten ruimte voor een individuele afweging.
Met een termijn van 12 maanden wordt in eerste instantie gedacht aan geïndiceerden, die een (meerjarige) dagopleiding gaan volgen. Maar de reden van het niet beschikbaar zijn is hier niet van belang.
De reden is wel van belang in de overwegingen, die in de andere twee gevallen dient te worden gemaakt.
Een geïndiceerde, die een kortdurende opleiding gaat volgen, zal daardoor wellicht ruimere plaatsingsmogelijkheden creëren, terwijl zijn arbeidshandicap ongewijzigd blijft. Intrekking van de indicatie zou dan de persoonlijke ontwikkeling van deze personen kunnen dwarsbomen.
Ook kan de mogelijkheid bestaan, dat een geïndiceerde meerdere malen per jaren voor langere tijd niet beschikbaar is, om welke reden dan ook. Dit maakt plaatsing welhaast onmogelijk, zodat handhaving van de indicatie feitelijk zinloos is.
Een geïndiceerde, die enkele maanden buiten de gemeente (of zelfs buiten Nederland) verblijft voor een medische ingreep of therapie, kan bij terugkeer beter in staat zijn om een Wsw-betrekking op een hoger niveau aan te nemen. Het kan zelfs zo zijn, dat de geïndiceerde boven de grens komt. Hier ziet het derde lid op.