Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 3.4

Algemene afwijzingsgronden

Onderdeel van Gemeentelijke subsidieverordening stadsvernieuwing

1.. Het college van burgemeester en wethouders verleent geen geldelijke steun als: met het treffen van de voorzieningen het belang van de volkshuisvesting en/of de monumentenzorg niet of in onvoldoende mate wordt gediend; het budget bedoeld in artikel 3.3, eerste lid ontoereikend is, tenzij het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 3.7, derde lid de beslissing op de aanvraag om geldelijke steun heeft aangehouden en daarbij geldelijke steun in het vooruitzicht hebben gesteld; de geraamde kosten van de voorzieningen niet geacht worden in een redelijke verhouding te staan tot het te bereiken resultaat; met het treffen van de voorzieningen is begonnen voordat de aanvrager een besluit tot het verlenen van geldelijke steun heeft ontvangen; eerder in het jaar of tegelijk met het ingediende plan een ander plan met betrekking tot hetzelfde monument is ingediend; voor de betreffende voorzieningen binnen een termijn van 15 jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag wordt ingediend geldelijke steun is verleend; het niet voldoende aannemelijk is dat het monument na het treffen van de voorzieningen nog tenminste 15 jaar in stand zal blijven; voor de te treffen voorzieningen een monumenten- en/of bouwvergunning vereist is en deze niet onherroepelijk is of zijn verleend. 2.. Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in het vorige lid, onder d, e, f, g en h.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel