De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 27 lid 2 onder b tot en met d van de Verordening is een forfaitaire (of gemaximeerde) vergoeding. Voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de volgende normbedragen:
voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer wordt geen vergoeding verstrekt;
voor de tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto, bruikleen-, huur- of lease-auto of taxi geldt een normbedrag van € 1.060,29 per jaar, indien de gehandicapte niet tevens de beschikking heeft over een vervoersvoorziening in natura;
voor de tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto, bruikleen-, huur- of lease-auto of taxi geldt een normbedrag van € 530,27 per jaar, indien de gehandicapte tevens de beschikking heeft over een vervoersvoorziening in natura;
voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi geldt een normbedrag van € 1.593,84 per jaar, indien de gehandicapte niet tevens de beschikking heeft over een vervoersvoorziening in natura;
voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi geldt een normbedrag van € 796,79 per jaar, indien de gehandicapte tevens de beschikking heeft over een vervoersvoorziening in natura.
Indien beide echtgenoten in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 27 lid 2 onder b tot en met d van de Verordening, bedraagt de hoogte van de financiële tegemoetkoming per persoon maximaal 75% het normbedrag als bedoeld in lid 1.
Hoofdstuk
Artikel 5.1.
Hoogte financiële tegemoetkoming
Onderdeel van Besluit nadere regels Wet Maatschappelijke Ondersteuning Venlo (2010)