Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 11.

Artikel 2:50a

Gebiedsontzegging

Onderdeel van Algemene Plaatselijke verordening Harderwijk 2010

1.. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met de in de bijlage genoemde wettelijke bepalingen een verbod opleggen zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen. 2.. Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt gedurende het in het besluit van de burgemeester genoemde tijdvak van ten hoogste één weekeinde, waaronder wordt begrepen: van donderdag 18.00 uur tot en met maandag 04.00 uur nadat dit aan diegene in het belang van de openbare orde naar het oordeel van de burgemeester bij diens besluit is bekendgemaakt. 3.. Voorzover Oudejaarsdag, Nieuwjaarsdag, nationale en plaatselijke feestdagen niet samenvallen met het in het tweede lid genoemde tijdvak van ten hoogste één weekeinde, kan de burgemeester het verbod om zich in een door het college aangewezen gebied en daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen te begeven tevens opleggen voor deze dagen. 4.. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verboden wordt geconstateerd dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid bedoelde artikelen een verbod opleggen zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en in de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen voor een tijdvak van ten hoogste twaalf weken en op de door de burgemeester aangewezen tijdstippen. 5.. Het bepaalde in het voorgaande geldt niet indien de belanghebbende in het door het college aangewezen gebied zijn woning heeft, zijn werk of beroep uitoefent of hulpverlenende instanties bezoekt.

Rechtspraak bij dit artikel