De opsporing van de in artikel 11 van deze verordening strafbaar gestelde
feiten is, behalve aan de in artikel 141 van het Wetboek van strafvordering
genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door Burgemeester en
Wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast,
ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn
vermeld.