Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten
behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem
worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt,
waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die
de veiligheid van die bouwwerken schaadt.