De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen
noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de
bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
kunnen delen van deze kosten met een ander.
De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste
komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet
genoemde maximumbedrag.
De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor een
alleenstaande en de alleenstaande ouder die een gezamenlijke
huishouding voert met een of meerdere niet ten laste komend(e)
kind(eren) met een inkomen op grond van de Wet op de
studiefinanciering, een tegemoetkoming op grond van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of jonger is
dan 21 jaar, en in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet
genoemde maximumbedrag.
De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede, derde
en vierde lid niet van toepassing is, 10% van de
gehuwdennorm.