Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

- Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004

De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor een alleenstaande en de alleenstaande ouder die een gezamenlijke huishouding voert met een of meerdere niet ten laste komend(e) kind(eren) met een inkomen op grond van de Wet op de studiefinanciering, een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of jonger is dan 21 jaar, en in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede, derde en vierde lid niet van toepassing is, 10% van de gehuwdennorm.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel