Aan een ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in de artikelen 19, 20 en 21, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend, indien:
die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage, als bedoeld in artikel 15, en
de ambtenaar de toelage -als bedoeld in de artikelen 19, 20 en 21- direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 60 jaar en ouder wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage – als bedoeld in de artikelen 19, 20 en 21 – een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, indien de ambtenaar de toelage - als bedoeld in de artikelen 19, 20 en 21 – direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 60 bereikt en hij onmiddellijk voor de aanvang van die toelage gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage – als bedoeld in de artikelen 19, 20 en 21- heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.
Voor de toepasssing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
De aflopende toelage kent het volgende verloop: het eerste jaar 100%, het tweede jaar 75%, het derde jaar 50% en het vierde jaar 25% van de daling van de bezoldiging, die het gevolg is van het vervallen c.q. verminderen van de toelage als bedoeld in de artikelen 19, 20 en 21. Ingaande het vijfde jaar vervalt de toelage.
Referte tijdvak toelagen