Brabant in Ontwikkeling:
Interimstructuurvisie Noord-Brabant en Paraplunota ruimtelijke ordening Aanleiding voor het opstellen van deze Interimstructuurvisie en deze Paraplunota is de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening op 1 juli 2008. Deze wet verplicht overheden tot het opstellen van een structuurvisie waaruit blijkt wat hun belangen zijn en welke instrumenten ze inzetten om deze te realiseren. De Interimstructuurvisie bevat in hoofdzaak bestaand ruimtelijk beleid, zoals opgenomen in ”Brabant in Balans, Streekplan Noord-Brabant 2002”. Nieuw in deze visie is de uitvoeringsagenda. De uitvoeringsagenda sluit aan op de prioriteiten zoals die zijn genoemd in het “Bestuursakkoord 2007-2011: Vertrouwen in Brabant”.
Een structuurvisie bevat een overzicht van de ruimtelijke belangen en doelen van de betreffende overheidslaag en de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid. In de bijbehorende uitvoeringsagenda staat welke juridische, financiële en/of communicatieve instrumenten worden ingezet om het beleid te realiseren. De Paraplunota beoogt de grondslag te bieden voor het gebruik van de bevoegdheden die de Wet ruimtelijke ordening aan de provincie toekent, alsmede de bestuursbevoegdheden die de provincie toepast ten behoeve van een goede provinciale ruimtelijke ordening.
In de Interimstructuurvisie is gekozen voor één overkoepeld ruimtelijk belang en dit thematisch uit te werken in deelbelangen en -doelen. Dit hoofdbelang is zorgvuldig ruimtegebruik. Om tot zorgvuldig ruimtegebruik te komen wordt in het ruimtelijk beleid de nadruk gelegd op een aantal aspecten, waaronder:
• De lagenbenadering: ruimtelijke ontwikkelingen worden afgestemd op de draagkracht van het watersysteem en de bodem, op de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie, en sluiten aan op de kwaliteiten van de infrastructuur. • Zuinig ruimtegebruik: de groei en spreiding van het stedelijk ruimtebeslag wordt afgeremd. • Duurzame inrichting en beheer van de omgeving. Dit hoofdbelang is vervolgens op thematische wijze uitgewerkt in provinciale belangen. In het kader van deze beleidsnota economische zaken zijn de volgende belangen vooral relevant:
Mobiliteit en infrastructuur:Belang: een duurzame bereikbaarheid voor alle vervoerswijzen, zowel voor goederen- als personenvervoer, met een accent op de stedelijke regio’s.
(Bestaande) infrastructuur meer sturend laten zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Het op orde brengen van bestaande en nieuwe infrastructuur, het intensief benutten van bestaande en het duurzaam ruimtelijk inpassen van nieuwe infrastructuur.
Aangegeven wordt dat infrastructuur meer sturend moet worden in het ruimtelijk beleid. Niet alleen om in de groeiende mobiliteitsbehoefte te voorzien, maar ook om Noord-Brabant bereikbaar en leefbaar te houden. Voor het goederenvervoer wordt gestreefd naar een optimale modal shift: het goederenvervoer moet meer over spoor en water plaatsvinden en waar mogelijk per buisleiding. De provincie vindt het belangrijk dat het bedrijfsleven in Brabant zich (verder) kan ontwikkelen en dat in de ruimtebehoefte wordt voorzien door ruimte te reserveren voor de verwachte omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen.
Tegelijkertijd vindt de provincie het belangrijk dat deze ruimtebehoefte niet alleen op uitbreidingslocaties wordt gerealiseerd. Daarom wordt maximaal aandacht gegeven aan:
• Het intensiever benutten van bestaande bedrijventerreinen, • Het herstructureren van verouderde bedrijventerreinen, • Het intensiveren van het ruimtegebruik op nieuwe (uitbreidings)locaties. Werken en voorzieningen: Belang: een goed functionerende (regionale) markt voor bedrijventerreinen en een gedifferentieerde voorzieningenstructuur.
Voorzien in een kwantitatief en kwalitatief op de behoefte aansluitend aanbod van bedrijventerreinen en een gedifferentieerde voorzieningenstructuur.
Realiseren van zorgvuldig ruimtegebruik op bedrijventerreinen en het bevorderen van herstructurering van verouderde terreinen.
Toerisme en recreatie:Belang: een sterke en gedifferentieerde toeristisch-recreatieve structuur in zowel de steden als het landelijk gebied.
Voorzien in de ruimtebehoefte voor toeristisch-recreatieve voorzieningen, voor zover het past binnen de draagkracht van het gebied.
Verbeteren van de recreatieve ontsluiting van het landelijk gebied (routenetwerken).
Waarborgen en versterken van de positie van de bovenregionale attractieparken in Brabant.
Landelijke en stedelijke regio’sOnderscheid wordt gemaakt tussen (5) stedelijke en (15) landelijke regio’s. De stedelijke regio’s worden gezien als ruimtelijk samenhangende, verstedelijkte gebieden. Binnen deze regio’s liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking. Het uitgangspunt de verstedelijking te concentreren in stedelijke regio’s heeft directe gevolgen voor de groeimogelijkheden in landelijke regio’s. Zo geldt voor landelijke regio’s dat zoveel woningen mogen worden gebouwd als nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei. Landelijke regio’s bieden plaats aan kleinschalige en middelgrote bedrijvigheid. Bij doorgroei tot een groot bedrijf (met een kavel van meer dan 5.000 m²) horen deze bedrijven thuis in een stedelijke regio. In op enige afstand van de stedelijke regio’s gelegen (delen van) landelijke regio’s kunnen grote bedrijven uit de regio terecht op een regionaal bedrijventerrein. Een van de drie regionale bedrijventerreinen in landelijke regio’s is voorzien in het Land van Heusden en Altena en is derhalve voor Geertruidenberg van belang. Alleen bedrijven die qua aard, schaal en functie als passend kunnen worden beschouwd worden gevestigd in landelijke regio’s, aldus de nota.Handleiding voor Ruimtelijke Plannen In de Interimstructuurvisie wordt aangaande het beleid van de provincie t.a.v. PDV / GDV[3] en kantoren verwezen naar de “Handleiding voor Ruimtelijke Plannen” uit 2004. Via dit document brengt de provincie haar ruimtelijke belangen ten aanzien van bedrijventerreinen, kantoren, voorzieningen en detailhandel in bij gemeentelijke (bestemmings-)plannen. Deze beleidsbrief vormt een handleiding voor het opstellen van ruimtelijke plannen voor de onderdelen bedrijventerreinen, zelfstandige kantoorvestigingen, detailhandel en voorzieningen. De beleidsbrief geeft gemeenten een handleiding voor hoe het provinciale beleid moet worden vertaald in ruimtelijke plannen. In de Interimstructuurvisie heeft de gemeente Geertruidenberg de status van landelijke regio. Voor landelijke regio’s geldt als uitgangspunt dat de kantoorvestigingen en voorzieningen bezoekersextensief, kleinschalig en ‘vermengbaar’ moeten zijn.
Ruimte wordt geboden aan kantoorvestigingen en voorzieningen die qua aard, schaal en functie passen bij de betreffende kern. Voor zelfstandige kantoren geldt als toetsend criterium dat deze niet zijn toegestaan op bedrijventerreinen. Voor detailhandel geldt als toetsend criterium dat deze niet zijn toegestaan op bedrijventerreinen, voor zover deze niet gerelateerd zijn aan het terrein. In een aantal specifieke branches mogen winkels zich buiten de bestaande of nieuw te ontwikkelen winkelconcentratiegebieden vestigen (dit vanwege de aard en omvang van de verkochte goederen):
• Detailhandel in auto’s • Detailhandel in boten • Detailhandel in caravans en tenten • Detailhandel in grove bouwmaterialen • Detailhandel in keukens, badkamers en sanitair • Bouwmarkten • Detailhandel in woninginrichting waaronder meubelen Detailhandel uit bovenstaande branches dient zich, bij voorkeur geconcentreerd, te vestigen aansluitend aan bestaande of nieuw te ontwikkelen winkelconcentratiegebieden of op een specifiek daartoe door het gemeentebestuur aangewezen gebied, goed ontsloten en gelegen binnen of direct aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied.
Uitwerkingsplan en Voortgangsrapportage 2007 uitwerkingsplan landelijke regio Drimmelen, Geertruidenberg en Moerdijk Het uitwerkingsplan is de uitwerking van het globale verstedelijkingsbeleid uit het streekplan. In dit plan wordt de verstedelijkingsopgave vormgegeven. In het plan is opgenomen waar, wanneer en hoeveel de komende jaren aan woningen en aan bedrijventerreinen ontwikkeld gaat worden in de regio. Hiermee wordt het accent verschoven naar de uitvoering van het beleid. Bij toekomstige stedelijke ontwikkelingen ligt de nadruk op inbreiden, herstructureren, intensiveren en meervoudig ruimtegebruik. Stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied zullen qua aard en schaal inpasbaar moeten zijn in de specifieke dorpse omgeving. Ook het behoud van leefbare kernen is echter van groot belang. Het is niet gewenst om kleine kernen ‘op slot’ te zetten. Gewerkt wordt dan ook vanuit het principe dat elke kern ontwikkelingsmogelijkheden krijgt voor wonen mits dit gerealiseerd wordt aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied en in compacte vorm. Bij het aanbieden van nieuwe ruimte voor bedrijven staat bundeling van bedrijventerreinen voorop. Aansluiting moet worden gezocht bij bestaande grotere bedrijfslocaties.
Wat betreft wonen geldt in de landelijke regio’s als uitgangspunt ‘bouwen voor migratiesaldo-nul’. Dit houdt in dat wordt gebouwd voor de natuurlijke bevolkingsgroei. Uit de prognose 2005 blijkt dat de woningvoorraad in de gemeente Geertruidenberg in de periode 2005 tot 2015 kan toenemen met circa 820 woningen. Geconstateerd wordt dat de gemeente voor de komende 10 jaren over meer ‘harde’ plancapaciteit beschikt dan noodzakelijk. Grotendeels is deze plancapaciteit zelfs onherroepelijk. De gemeente Geertruidenberg neemt sinds het GS-besluit van 11 maart 2003 deel aan de provinciale pilot ‘bouwen binnen strakke contouren’. Rond alle kernen is een strakke contour getrokken waarbinnen tot mei 2008, met een verlenging tot mei 2009, zonder kwantitatieve beperkingen plannen mogen worden ontwikkeld om in de toekomst woningen te realiseren. Hierdoor worden in het voorliggende uitwerkingsplan geen afspraken opgenomen voor het programma wonen voor de gemeente Geertruidenberg. Bij het herzieningstraject van het uitwerkingsplan (2009) zal ook Geertruidenberg weer worden meegenomen.
Het ruimtebudget voor bedrijventerreinen (werken) wordt, anders dan het woningbouw-programma, op regionale schaal verdeeld. Bij de vaststelling van de budgetten in de landelijke regio’s hanteert de provincie de volgende uitgangspunten:• In landelijke regio’s mogen alleen bedrijven worden gevestigd die qua aard, schaal en functie als passend worden beschouwd. • Bestaande bedrijven die zodanig groeien dat zij vanwege hun aard, schaal en functie niet langer passen in een landelijke regio, dienen verplaatst te worden naar een stedelijke regio of het bovenregionale bedrijventerrein Moerdijk of het toekomstige terrein Moerdijkse Hoek. De landelijke regio Drimmelen, Geertruidenberg en Moerdijk heeft een planningsopgave van circa 133 hectare bruto bedrijventerrein tot 2015 en circa 177 hectare bruto bedrijventerrein tot 2020 (na aftrek van de bruto beschikbare restcapaciteit van bijna 26 hectare en de formulering van de ambitie zuinig ruimtegebruik (circa 87 hectare)). Het ruimtebudget minus de ambitie zuinig ruimtegebruik minus de restcapaciteit resulteert in de nog benodigde extra ruimte voor bedrijventerreinen (= planningsopgave).In het uitwerkingsplan moeten locaties (nieuwe bedrijventerreinen of uitbreidingen van bestaande bedrijventerreinen) worden opgenomen tot 2015, met een doorkijk tot 2020. Dit heeft geresulteerd in een planningsopgave voor de gemeente Geertruidenberg van 72 hectare tot 2015 en van 96 hectare tot 2020. Aangegeven wordt dat men het van groot belang acht dat de ruimtereservering groter is dan de benodigde plancapaciteit om te voorkomen dat door planuitval, maar ook door het niet behalen van de ambitie van zuinig ruimtegebruik, toch voldoende aanbod gecreëerd kan worden. In de voortgangsrapportage wordt aangegeven dat voor Geertruidenberg de locatie “Westzijde gemeente nabij centrale” van 30 – 40 hectare tot 2015, als ruimtereservering is opgenomen.
In 2006 is een nieuwe prognose beschikbaar gekomen van het toekomstige ruimtebeslag van bedrijventerreinen voor de Brabantse stedelijke en landelijke regio’s voor de perioden 2006-2020 en 2021-2040. Hieruit blijkt onder andere dat er nog sprake is van een toename van het ruimtebeslag in de periode 2006-2020, maar dat daarna de groei afneemt. Ook blijkt dat de stedelijke regio’s meer groei verwachten dan de landelijke regio’s en dat (ten opzichte van de prognose 2000) de behoefte aan bedrijventerreinen netto met 16% daalt.Voor de landelijke regio Drimmelen, Geertruidenberg en Moerdijk is voor de periode 2006-2020 een behoefte geprognosticeerd van –11,0 hectare netto bedrijventerrein. In het Uitwerkingspan werd nog uitgegaan van een behoefte van ca. 9,8 hectare bruto bedrijventerrein per jaar. Ook het uitgiftebeleid over de laatste jaren laat een afnemende vraag zien. In de regio is nog 14,5 hectare bruto bedrijventerrein beschikbaar (1-1-2007). Er is dan ook geen aanleiding om ‘zachte’ plancapaciteit om te zetten in ‘harde’ plancapaciteit. Onduidelijk is of dit aanbod kwalitatief aansluit op de eventuele lokale behoeftevraag.
Sinds 1 januari 2008 neemt Geertruidenberg deel aan het regionale planningsoverleg Stedelijke regio Breda – Tilburg. In de Voortgangsrapportage 2008, programma werken, van de Werkgroep Werken Breda- Tilburg (november 2008) is per bedrijventerrein een korte ‘profielschets’ opgenomen. Zo wordt ten aanzien van Dombosch aangegeven dat het Masterplan Dombosch in concept gereed is. Met betrekking tot Gasthuiswaard wordt het volgende gesteld: “De gronden die ten westen van het bestaande bedrijventerrein aanwezig zijn, komen mogelijk in aanmerking voor uitbreiding. Indien blijkt dat er serieuze behoefte bestaat aan uitbreiding van het areaal bedrijventerrein binnen de gemeente, dan komt Gasthuiswaard, naast revitalisering en intensivering van Dombosch, als eerst in aanmerking voor uitbreiding. De potentiële uitbreiding van Gasthuiswaard is in overeenstemming met provinciaal beleid.”