1.
Het college ziet af van verlaging indien:
a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of; b. de
gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die
gedraging door het college heeft plaatsgevonden,
tenzij de gedraging een schending van de
inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
gedraging ten onrechte uitkering is verleend. Een
verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht
wordt niet opgelegd na verloop van 5 jaren nadat de
betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
2.
Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van
verlaging indien het daarvoor zeer bijzondere
individuele omstandigheden aanwezig acht.
3.
Indien het college afziet van verlaging wordt de
belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
gedaan onder vermelding van de redenen.
Hoofdstuk 1
Artikel 5
Afzien van verlaging van de uitkering
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAZ/IOAW