De aanwijzing door burgemeester en wethouders en de raad geschiedt
bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter
vervanging van hen die ophouden lid van het college van burgemeester
en wethouders of van de raad te zijn.
Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in
artikel 2, lid 3, aan burgemeester en wethouders opgaaf van:
het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar
aangesloten leden;
de namen en adressen der ambtenaren, die ingevolge artikel
2, lid 3, als leden en plaatsvervangers zijn aangewezen.
'
Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie
schriftelijk aan burgemeester en wethouders doet weten dat zijn
aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken.
In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger
aangewezen.