Het college kan een vergunning intrekken:
a. indien de vergunning op basis van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. indien de vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven;
c. indien de leidingexploitant het bepaalde bij of krachtens deze verordening of vergunningsvoorschrift niet naleeft;
d. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat het van kracht blijven van de vergunning op onaanvaardbare wijze schade zou opleveren aan de belangen, welke deze verordening beoogt te dienen en aan dat bezwaar door het stellen van (nadere) voorschriften redelijkerwijze niet of niet voldoende kan worden tegemoet gekomen;
e. indien dit noodzakelijk is vanwege uitvoering van werken door of in opdracht van het college;
f. indien binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning daarvan geen gebruik is gemaakt en de vergunninghouder geen verzoek tot verlenging heeft ingediend;
g. op verzoek van de vergunninghouder.