Het college legt een maatregel op als belanghebbenden een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan hebben betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
wet, waardoor belanghebbenden een beroep moeten doen op bijstand dan wel
eerder of langer een beroep moeten doen op bijstand. Daarbij worden de
volgende categorieën onderscheiden:
Tweede categorie:
niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding
tot stand te brengen;
het langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het
buitenland verblijven;
Belanghebbenden jonger dan 27 jaar die de voor hen
geldende verplichting van artikel 45, sub a, van de WIJ
niet nakomen doordat zij onvoldoende meewerken aan het
opstellen van een plan met betrekking tot de
arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende
meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling;
Belanghebbenden jonger dan 27 jaar die de voor hen
geldende verplichting van artikel 45, sub f, van de WIJ
niet nakomen doordat zij zich niet onderwerpen aan een
noodzakelijke behandeling van medische aard.
Derde categorie:
Belanghebbenden jonger dan 27 jaar die de voor hen
geldende verplichting van artikel 45, sub b, van de WIJ
niet nakomen inhoudende dat zij geen onredelijke eisen
mogen stellen in verband met door hen te verrichten
algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of
verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
belemmeren;
Belanghebbenden jonger dan 27 jaar die de voor hen
geldende verplichting van artikel 45, sub c, van de WIJ
niet nakomen doordat zij niet of onvoldoende meewerken
aan het behoud of bevorderen van de
arbeidsbekwaamheid;
Belanghebbenden jonger dan 27 jaar die de voor hen
geldende verplichting van artikel 45, sub d, van de WIJ
niet nakomen doordat zij niet of onvoldoende meewerken
aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de
arbeidsinschakeling;
Belanghebbenden jonger dan 27 jaar die de voor hen
geldende verplichting van artikel 45, sub e, van de WIJ
niet nakomen doordat zij het nalaten de opgedragen
werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te
verrichten.
Vierde categorie:
het verkopen van de woning beneden de WOZ-waarde;
het te snel interen van vermogen dat meer bedroeg dan de
toepasselijke vermogensgrens;
onderbedeling bij echtscheiding;
te late of geen aanvaarding van een voorliggende
voorziening;
het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
geaccepteerde arbeid;
het door eigen schuld verliezen van het recht op een
sociale zekerheidsuitkering;
bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter
toegekende alimentatie;
het niet hebben van een op grond van de
Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering;
overige gedragingen die als een tekortschietend besef
van verantwoordelijkheid in de voorziening van het
bestaan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 18,
tweede lid, van de wet, waardoor belanghebbenden een
beroep moeten doen op bijstand dan wel daar eerder of
langer een beroep op moeten doen.
Hoofdstuk 4.
Artikel 14.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2010