Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening WIJ Stadskanaal 2010

De norm wordt verhoogd met een toeslag, indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 30, tweede lid van de wet  genoemde maximumbedrag. De kosten van het bestaan, die met een ander kunnen worden gedeeld, houden voor de toepassing van dit artikel de volgende onderdelen in: woonkosten; overige woonkosten. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder waarop het tweede lid niet van toepassing is: 11% van de gehuwdennorm, indien uitsluitend de kosten, genoemd in het derde lid onder a., kunnen worden gedeeld; 14% van de gehuwdennorm, indien uitsluitend de kosten, genoemd in het derde lid onder b., kunnen worden gedeeld; 5% van de gehuwdennorm, indien de kosten, genoemd in het derde lid onder a. en b., kunnen worden gedeeld; de toeslag als bedoeld in artikel 30 van de wet  wordt voor een alleenstaande van 21 jaar vastgesteld conform het bepaalde in deze verordening, met dien verstande dat de inkomensvoorzieningsnorm niet meer mag bedragen dan 90% van het minimumjeugdloon voor een 21-jarige. De norm van een jongere, op wie artikel 28, leden 3 en 4 van de wet  van toepassing zijn, wordt niet verhoogd met een toeslag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel