Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is
voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op
binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande
terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet
ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een
voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een
motorrijtuig, dat is ingeschreven in het krachtens de
Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554) aangehouden register van opgegeven
kentekens als houder wordt aangemerkt degene wiens naam in het voor
het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in
het register was ingeschreven;
parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip
van verzamelparkeer-meters, en hetgeen naar maatschappelijke
opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan.