Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

Hoogte en duur van de afstemming WWB, IOAW en IOAZ

Onderdeel van Afstemmingsverordening Sociale Zekerheid 2010, gemeente Oosterhout

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, wordt de verlaging op de bijstand, als bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 en 3.3, van de WWB, de uitkering, als bedoeld in artikel 9 van de IOAW en de uitkering als bedoeld in artikel 9 van de IOAZ gedurende een maand vastgesteld op: € 50,00 bij een gedraging uit categorie 1; € 200,00 bij een gedraging uit categorie 2; € 50,00 bij een gedraging uit categorie 3, waarbij het benadelingsbedrag lager is dan € 500,00; € 150,00 bij een gedraging uit categorie 3, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 500,00 maar lager is dan € 1.500,00; € 350,00 bij een gedraging uit categorie 3, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 1.500,00 maar lager is dan € 3.500,00; € 600,00 bij een gedraging uit categorie 3, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 3.500,00 maar lager is dan € 6.000 € 1.000,00 bij een gedraging uit categorie 3, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 6.000,00 maar lager dan de grens van het aangiftebedrag van het Openbaar Ministerie; de gehele norm, als bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 en 3.3, van de WWB, de uitkering als bedoeld in artikel 9 IOAW en de uitkering als bedoeld in artikel 9 IOAZ bij een gedraging uit categorie 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, wordt de verlaging op de bijstand, als bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 en 3.3, van de WWB, de uitkering als bedoeld in artikel 9 van de IOAW of de uitkering als bedoeld in artikel 9 van de IOAZ gedurende drie maanden vastgesteld op de gehele bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 en 3.3, van de WWB, de gehele uitkering als bedoeld in artikel 9 van de IOAWof de gehele uitkering als bedoeld in artikel 9 van de IOAZ, bij een gedraging uit categorie 5. In afwijking van het gestelde in het eerste lid bedraagt de verlaging niet meer dan het maandbedrag dat aan WWB, IOAW en IOAZ voor uitbetaling in aanmerking komt. Bij de IOAW en de IOAZ wordt een maatregel op grond van het eerste lid, onderdeel a tot en met c van dit artikel en op grond van artikel 9 lid 3 onderdeel a en b, in mindering gebracht na toepassing van de inhoudingen op grond van artikel 10 IOAW en artikel 10 IOAZ. Het college kan jaarlijks per 1 januari de bedragen als genoemd in lid 1, onderdelen a, b en c aanpassen door middel van indexering. De bedragen na indexering worden afgerond op een veelvoud van € 5,00.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel